Categorie archief: Uit een oudere doos

Gehaaid

Deze column verscheen eerder op de site van deBuren, september 2008

De afgelopen week maakten de beurzen wereldwijd een duikvlucht naar beneden, maar op de kunstmarkt floreerden de zaken als nooit tevoren. In het Britse veilinghuis Sotheby’s bracht de tweedaagse stuntverkoop van 223 werken van kunstenaar Damien Hirst een recordbedrag van 133 miljoen euro op. Lees verder

Reacties uitgeschakeld voor Gehaaid

Opgeslagen onder Uit een oudere doos

‘Ahmadinejad komt zijn beloftes na’


© Pieter-Jan De Pue

De verkiezingen lijken ver weg bij de Torens van Stilte. Ze doen hun naam eer aan: alleen de wind, vogels en het vage geluid van auto’s en bromfietsen zijn te horen. De woestijnstad Yazd is het hart van het zoroastrisme in Iran, dat voor de komst van de islam in de 7de eeuw de staatsgodsdienst was. De volgelingen van Zarathoestra geloofden dat om de puurheid van de aarde te eren, men lichamen niet mocht begraven: ze werden in openlucht achtergelaten in hoge torens.

Yazd ligt een paar honderd meter lager. We lijken alleen op de wereld, maar dan komen twee jongens de andere kant van de berg opgeklommen. Mohammad (21) en Masoud (30) wonen al hun hele leven in Yazd, maar nooit eerder hebben ze de Torens van Stilte bezocht. ‘Vandaag hadden we een dagje vrij en we vonden dat het tijd was om iets nuttigs te doen’, lacht Masoud. Lees verder

1 reactie

Opgeslagen onder Uit een oudere doos

‘Er is een ramp gebeurd in dit land’


© Pieter-Jan De Pue

‘Vrijheid van meningsuiting is onmogelijk zonder Mousavi’; ‘Dokter Ahmadinejad, ga naar de dokter’; ‘Als je vals speelt, zal er chaos zijn in Iran’: het zijn maar een paar van de slogans die ik woensdag hoorde tijdens een indrukwekkende demonstratie voor de presidentskandidaat Mousavi in het historische centrum van Isfahan. Lees verder

Reacties uitgeschakeld voor ‘Er is een ramp gebeurd in dit land’

Opgeslagen onder Uit een oudere doos

Het eeuwige Perzië

In juni 2009 schreef ik tijdens mijn rondreis door Iran tijdens de presidentsverkiezingen elke week een column voor De Standaard. Hier alvast één daarvan.

© Pieter-Jan De Pue

Het is zes uur ’s morgens en ik sta met blote voeten in het natte zand. Voor mij ligt het water van de Perzische Golf te fonkelen in de ochtendzon. Af en toe rijdt een auto over het strand en drie jongens spelen handbal in de branding. We zijn aangekomen in de havenstad Bandar-Abbas en hebben daarmee het meest zuidelijke punt van onze tocht door Iran bereikt.

Een nachtelijke treinreis van tien uur in een bloedhete wagon heeft me geradbraakt, en om krachten op te doen gaan we ash – een soort Iraanse ontbijtsoep – eten in het centrum van Bandar-Abbas. Hossein, de eigenaar van de eetwinkel, staat erop om ons rond te leiden door zijn stad: hij ontmoet immers niet elke dag buitenlanders. Even later scheurt een oude motorboot met daarin Hossein, mezelf en enkele donkergekleurde Bandari’s over de Perzische Golf. We zijn op weg naar de Straat van Hormoz, een belangrijke scheepvaartroute voor aardolie uit de Golfregio die voor Iran van onschatbare strategische waarde is.

Hossein, grootvader van vier kleinkinderen, houdt al de hele tijd zijn rozenkrans vast en tuurt over het water. “Persian Gulf,” glimlacht hij. “Not Arab Gulf. De Arabieren proberen al een tijd de naam van deze wateren te veranderen, maar dat zal hen niet lukken. Weet je wat een van de grootste problemen van dit regime en van president Ahmadinejad is? Ze hebben geen respect voor de bevolking en voor ons grootse verleden. Persepolis, Cyrus de Grote, het Perzische wereldrijk: die woorden hebben voor Ahmadinejad helemaal geen betekenis.”

“Persepolis, Cyrus de Grote, het Perzische wereldrijk: die woorden hebben voor Ahmadinejad helemaal geen betekenis.”

Hossein is diepgelovig, maar toch heeft hij – samen met zijn hele familie – voor Mousavi en dus tegen het regime gestemd. “Wanneer je erg religieus bent, zijn veel mensen verrast dat je voor Mousavi hebt gekozen. Maar hij is een betere moslim dan Ahmadinejad. In de Koran staat dat je het goede moet doen, terwijl deze president ons vier jaar lang alleen maar kwaad heeft berokkend. Ahmadinejad is meer met de Palestijnse kwestie bezig geweest dan met zijn eigen bevolking. Het land is er economisch erg slecht aan toe. Elke week zie ik uit Bandar-Abbas vrouwen vertrekken naar een van de Arabische staten in de Golf. Ze gaan er hun lichaam verkopen, omdat hier alleen maar armoede en werkloosheid is.”

Helemaal voorin onze boot begint een zwarte vrouw met een feloranje sluier plots uitbundig naar me te wuiven. “Ik ben Khadidje!”, schreeuwt ze in de wind. “O, je bent de vrouw van de profeet Mohammad!” roep ik terug. Ze schaterlacht, en Hossein legt kort zijn hand op mijn schouder om opnieuw mijn aandacht te trekken.

“Dit regime heeft onze profeet met jarenlange leugens diep beledigd. In alle grote steden van dit land protesteren mensen tegen de verkiezingsuitslag, en de regering denkt dat het gewoon om een studentenrevolte gaat, zoals we in 1999 al meemaakten. Maar nu zijn het niet alleen de studenten die op straat komen. De hele natie zal zich bij hen aansluiten. Er is een nieuwe revolutie in de maak, daar ben ik zeker van. Dit regime is tijdelijk, maar de kracht en grootsheid van Perzië zijn eeuwig. We zullen sterker uit deze crisis komen.”

Wanneer we voet aan land op het eiland Hormoz zetten en ik over mijn schouder naar het water kijk, doen de woorden van Hossein me even de tijdelijkheid van de politiek vergeten en is er een paar seconden lang alleen maar de onvergetelijk mooie, eeuwige Perzische Golf.

Deze column verscheen in De Standaard van 19 juni 2009

Reacties uitgeschakeld voor Het eeuwige Perzië

Opgeslagen onder Uit een oudere doos

Saved by Islam – how an Iranian holy man rescued us from jail


Our hero, Hojatoleslam Hosseini   © Pieter-Jan De Pue

The room is full of garish plastic flowers that make it impossible to concentrate on what the man seated in front of me is saying. Not helping matters is the overwhelming heat, which has me fidgeting uncomfortably in my chair. The black chador draped over my head—in keeping with Islamic dress code—falls, and a sweaty clump of hair slips to my shoulder. Mr. Hosseini, one of the highest-ranking Islamic leaders in Qom, Iran’s religious capital, doesn’t notice. He is rhapsodizing.

“There is a reason why I want to meet personally journalists who visit the Hazrat-e Masumeh shrine,” Hosseini informs me through my translator and guide. “There are many misunderstandings about Islam. I want you to remember this: Islam is peace. Unfortunately, politics always separates people. But we are not hostile to anyone.” Clearly, he means it, but I’m being forced to listen so it isn’t very convincing.

I’ve only just arrived in the sleepy city of Qom with my photographer, Pieter-Jan, after a one-week stay in press-packed Tehran. In the taxi from the train station to the city center, our driver was puzzled: “Beh name khoda, in the name of God, what are you doing here?” Before I could explain that we’re here gathering research for an upcoming book on youth movements, he caught my eye in the rearview mirror, smiled, and shook his head. “There are rarely any foreigners in this city—not even journalists. You will be the talk of the town.” He dropped us at the Hazrat-e Masumeh, the holiest shrine in Qom, and we quickly understood what he meant. “Salam khareji! Hello, foreigner!” a young man waved at me from the other side of the street. “Be behesht khosh amadid! Welcome to paradise!”


Hazrat-e Masumeh: The holiest shrine in Qom, one of Iran’s most holy cities  © Pieter-Jan De Pue

We had barely entered the shrine when the head supervisor insisted we come with him to the office of the local hojatoleslam. This title is given to clerics of advanced standing in Islamic studies—in essence, influential interpreters of the Koran and setters of the moral standard. They wield immense power in every echelon of Iranian culture, and it was made obvious that if we refused to meet with him, we would not be interviewing or photographing anyone anytime soon. “Don’t worry. Mr. Hosseini just wants a friendly talk with you,” the supervisor said to us. I’d had a similar chat with civil authorities in Tehran—it is a strange thing to get accustomed to. Lees verder

Reacties uitgeschakeld voor Saved by Islam – how an Iranian holy man rescued us from jail

Opgeslagen onder Iran, Uit een oudere doos

Het wandelaartje

Op café – of elders – krijg ik in Tielt regelmatig de vraag of ik de column die ik destijds schreef voor ‘Het Nieuwsblad’ over Bekende Tieltenaar Marc Soete online kan plaatsen.
Bij deze.


Zijn naam was Marc. Hij droeg een geruite pet in de winter en had een bruinverbrande schedel in de zomer. Nog meer dan anders leek hij dan op Pablo Picasso: kale glimmende karakterkop, grote donkere ogen, diepe groeven in de wangen.

Niet schilderen was zijn kunst, wel leven in eenvoud. In de provinciestad waar ik opgroeide kende Marc iedereen, en iedereen kende Marc. Hij verliet op jonge leeftijd het strenge katholieke weeshuis waar hij werd grootgebracht, kwam in Tielt terecht en ging er in een klein arbeidershuis wonen. Marc was alleen op de wereld, maar op een dag moet hij besloten hebben dat hij van zijn omgeving zijn familie kon maken.

De straten waren zijn thuis. Het wandelaartje, werd hij ook wel genoemd. De eenzaamheid tussen vier muren overwon hij door dagelijks lange tochten te maken. Hij groette iedereen. ‘Ne goeiendag’, klonk het dan luid, en hij stak zijn hand in de lucht. Hij drong zich aan niemand op, maar in zijn ogen las je altijd de hoop dat je even met hem zou praten. Het ging dan over het weer, over de klusjes die hij voor sommigen mocht opknappen, over de bloemen die hij in zijn tuin zag bloeien. Klagen deed hij nooit. Glimlachen altijd.

Afgelopen zaterdag ging ik naar Marcs begrafenis. De avond voordien had ik gehoord dat hij onverwacht was overleden. Alleen, thuis, zittend op de bank. Echt persoonlijk had ik hem nooit gekend, hem wel altijd gegroet en soms met hem gebabbeld, maar toch wilde ik afscheid nemen. Tegelijk ging ik naar zijn begrafenis omdat ik bang was dat de kerk leeg zou zijn. Iedereen wist wie hij was, maar wie kende hem echt goed? De gedachte aan de kist van Marc in een bijna lege kerk maakte me triestig.

De kerk was niet leeg. Ze zat afgeladen vol. Er waren zelfs stoelen te kort. Tientallen mensen hadden hetzelfde gedacht als ik: deze man mogen we niet in de steek laten, ook niet nu hij er niet meer is. Velen knikten elkaar toe, alsof ze stilzwijgend zegden: jij ook, schoon dat ge er zijt, jammer dat we ’t wandelaarke nooit meer zullen zien.

Terwijl ik de priester hoorde praten over de schoonheid van de eenvoud dacht ik: dit is mijn antwoord op de vraag die sommigen me stellen, waarom ik nog elk weekend terugkeer naar mijn roots in West-Vlaanderen, terwijl ik in Brussel toch alles heb. In Brussel heb ik alles, maar dit niet: een gevoel van verbondenheid met je stadsgenoten wanneer iemand als Marc overlijdt. Als Marc in Brussel was terechtgekomen, had hij de eenzaamheid maar moeilijk kunnen overwinnen. Misschien had hij zelfs het leven niet kunnen dragen. Elke dag zie ik in de Brusselse volkswijk waar ik woon mensen ronddwalen, op zoek naar een vriendelijk woord, een glimlach, vijf seconden aandacht. Maar niemand heeft tijd, iedereen heeft het druk-druk-druk en snelt verder. In de anonieme mensenzee van Brussel gaan elke dag mensen als Marc kopje onder. Ze kopen het goedkoopste bier in de supermarkt om de hoek en verliezen elk gevoel van richting in hun leven.

Tijdens de begrafenis besloot de priester zijn woorden over Marc met een paar regels uit het gedicht ‘Eenvoud’ van Alice Nahon:

Ik voel m’n ziel verwant met kleine simpele dingen,

Die op ons wegen staan als bloemen van het veld…,

Verdoken in het gras, door weinigen geteld

Ik hou van Brussel, van de drukte, van de chaos, van de vrijgevochtenheid, maar hieraan zal ik nooit wennen: aan de vele wandelaartjes voor wie niemand oog heeft, verdoken in het gras, door weinigen geteld.

1 reactie

Opgeslagen onder Uit een oudere doos

Tijd, versteend tot eeuwigheid

Deze tekst, over het werk van fotograaf Charif Benhelima, verscheen eerder in de programmabrochure van deBuren van najaar 2007

De baby lacht. Klik. ‘Mijn god, wat een mooie vrouw’. Klik. Het gras is groener dan ooit, en de bloemen bloeien zo uitbundig deze zomer. Klik. ‘Zie je hoe de zon plots heel rood wordt en straks achter de heuvels zal verdwijnen?’ Klik.

Er zijn weinig verhoudingen die zo passioneel zijn als die tussen de mens en het fototoestel. Dat hoeft niet te verbazen: de liefde van mensen voor het maken van foto’s is een uiting van hun grootste angst, namelijk die voor het voorbijglijden van de tijd. Als korrels zand glipt de tijd door onze vingers, maar wie op de ontsluiter drukt, kan de tijd even stopzetten. In de strijd tegen de tijd is het geheugen het belangrijkste wapen, en fotografie is de beste en meest waarheidsgetrouwe handlanger van ons geheugen.

Wie fotografeert, creëert herinneringen, en die hebben we nodig om een complete persoonlijkheid te zijn. Onze persoonlijke herinneringen vormen de belangrijkste bron voor onze identiteit. Wie geen geheugen heeft, heeft geen notie van zijn eigen identiteit. De mogelijkheid het eigen verleden in herinnering te brengen geeft inhoud en waarde aan ons bestaan. Identificatie met het vroegere zelf is essentieel voor onze integriteit. Het geeft ons het gevoel een logisch, begrijpelijk en coherent geheel te zijn. Het verleden naar het heden halen verbindt ons met hoe we vroeger waren en geeft continuïteit aan onze identiteit.

Net daarom zijn er weinig bezigheden waar werkelijk íedereen zoveel plezier aan beleeft als aan het langzame doorbladeren van fotoalbums. Dat doen we het liefst in gezelschap, om woorden aan de beelden te kunnen toevoegen en om ons collectief te verwonderen over hoe het allemaal geweest is. Niet toevallig beweren veel mensen dat hun fotoalbum het eerste is wat ze uit hun brandende huis zouden redden. Het fotoalbum is het tastbare bewijs van het verleden, van wie we waren en geworden zijn.

Net omdat zijn fotoalbum tot zijn twaalfde blanco is gebleven, is Charif Benhelima naar eigen zeggen fotograaf geworden. Doordat hij geen foto’s van zichzelf had, werd hij zich al op jonge leeftijd heel sterk bewust van de waarde van herinneringen en van het vastleggen van de tijd. Niet alleen heeft Benhelima geen foto’s van zijn kindertijd – uitgerekend dat deel van ons verleden waarvoor we het meest op de verhalen van anderen aangewezen zijn  – maar is er ook niemand meer die hem erover kan vertellen. Zijn Marokkaanse vader kwam als gastarbeider naar België en werd het land uitgezet toen Charif drie jaar was. Sindsdien heeft niemand nog iets van hem vernomen. Benhelima’s moeder – een Vlaamse – overleed toen hij twaalf was. Hij werd geplaatst in een pleeggezin, en van het pleeggezin ging het naar een gesloten jeugdinstelling. Zijn jeugd noemt hij hard, het gevecht met zichzelf nog harder.

Pas toen Benhelima de fotografie ontdekte, kon hij ook zichzelf ontdekken. Zijn eerste boek Welcome to Belgium (2002) gaf hem de kans om dat deel van zijn verleden in beeld te brengen waarvan hij geen foto’s en weinig herinneringen heeft, en om op die manier de verloren tijd terug te winnen.

Welcome to Belgium is een sociaaldocumentair fotoboek dat vastlegt wat het betekent om vreemdeling te zijn. Het opent met een afdruk van een document dat het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in 1964 verspreidde in Marokko, Tunesië en Algerije om kandidaten te werven voor emigratie naar België. ‘Arbeiders, wees welkom in België!’, bloklettert de titel van het document. Je denkt eraan in België te komen werken? Misschien heb je de grote beslissing reeds genomen? Wij, Belgen, zijn gelukkig dat jij ons je kracht en je verstand biedt. Wij wensen dat dit nieuwe leven mag bijdragen tot jouw geluk.

Het contrast van het pamflettaire ‘Welkom arbeiders’ met de foto’s van Benhelima bezorgt de kijker een mokerslag in het gezicht. In korrelig zwart-wit geeft Benhelima onverbloemd de werkelijkheid weer van het harde bestaan van asielzoekers en illegalen in Brussel. Een eerste luik toont foto’s van migrantenkinderen. Hier is er nog hoop: de kinderen spelen, lachen, springen, rennen, kijken nieuwsgierig in de lens. Het kader beweegt zich vaak op hun hoogte: de fotograaf is één van hen. Het tweede luik is grimmiger. Benhelima laat ons het leven zien van asielzoekers in het Klein Kasteeltje. De reeks opent met een donkere foto van een dubbele deur waaronder een streepje helder licht zweeft. Maar dit is niet het licht dat hoop brengt in de duisternis. Het leven in het asielzoekerscentrum is grauw: getraliede ramen, groezelige muren en leegte, heel veel leegte. Er wordt opvallend veel gewacht. De meest treffende foto van de reeks toont een zwarte man vanop de rug gezien. Hij kijkt door een getralied venster naar een ommuurde binnenplaats. De stilte van deze foto is verpletterend. Alles is ontzield. Elk spoortje menselijkheid lijkt hier verdwenen.

Toch straalt er af en toe hoop uit de foto’s. Twee mannen omhelzen elkaar en lachen uitbundig. Een vrouw stift haar lippen in het weerspiegelende glaswerk van een oude deur waar de verf vanaf bladdert. Het zijn foto’s die eraan herinneren waarom deze mensen naar hier zijn gekomen. Wie vlucht, is hoopvol. Wie vlucht, zegt ja tegen het leven. Wie zijn land durft te verlaten, omhelst het leven met volle kracht. Het is een eeuwig verhaal. De mens, ach, de mens is altijd en overal dezelfde. Hij zoekt en vloekt, hij huilt en schreeuwt, hij lacht en danst, maar eigenlijk wil hij altijd alleen maar gelukkig zijn. Voor geluk, voor niets minder dan geluk zal de mens vechten en overeind blijven. Als je mening je dood kan betekenen, als het water tot boven je kin komt, de bommen je trommelvliezen aan flarden scheuren of je kinderen hun ogen niet meer kunnen sluiten van angst, dan wordt de mens een leeuw met klauwen. Wanneer de grond onder je voeten dreigt weg te zakken, wanneer je bijna valt maar ergens anders kan overeind komen, waar de lucht helderder is en het brood naar het leven smaakt, dan zal de mens verdomme overeind komen, al moet hij daarvoor desnoods de oceaan overzwemmen of zijn eigen huis in brand steken. Vanuit dat verlangen, om ergens anders de sleutel in de deur te kunnen steken, zijn de mensen uit Welcome to Belgium naar hier gekomen. De foto’s in het derde luik van het boek, gemaakt in een opvangtehuis voor illegalen, laten op een ontluisterende manier zien hoe de hoop van asielzoekers brutaal de kop wordt ingedrukt. Kijk, zegt de fotograaf, kijk hoe welkom immigranten zijn, kijk alsjeblieft goed en zie hoe hen alle hoop wordt ontnomen.

“Petit Chateau #5” , Brussels 1996-1997, Fiber print on alu, 60x100cm , edition of 5

Maar Welcome to Belgium is meer dan een aanklacht in de vorm van een fotodocument. Charif Benhelima noemt het ook zijn eigen fotobiografie. Van een groot deel van zijn verleden heeft hij noch foto’s noch een verhaal, maar met dit boek heeft hij zijn eigen verhaal geschreven. Hij was zelf een van de vele migrantenkinderen die hij in het eerste luik in beeld brengt. Zijn vader heeft hij nooit gekend, maar ooit was hij een asielzoeker en werd hij als illegaal het land uitgezet. Zijn geest waart door de bladzijden van dit boek. En zijn moeder, zij is aanwezig in de foto’s van de Tunesische asielzoekster Héléna Benjouira, die zonder wettige verblijfspapieren in Brusssel verblijft en daar haar zoontje probeert groot te brengen en tegen haar drugsverslaving vecht. De laatste foto van het boek toont Benjouira die vanuit een sofa indringend de lens inkijkt. In de spiegel die achter haar aan de muur hangt, is vaag de fotograaf zelf te zien. Daarna volgt een echo van de foetus van Benjouira’s zoontje, en weer daarna deze woorden: Ik ben nu 31. Mijn moeder overleed toen ik 8 was en mijn vader werd het land uitgezet toen ik 3 was. Voor het eerst durf ik zeggen: ‘Mijn moeder werkte in een fabriek en mijn vader was gastarbeider. Het staat op mijn geboortebewijs.’

Altijd had Benhelima gelogen over zijn herkomst en verzon hij een beroep voor zijn ouders. Pas op het eind van dit boek kan de fotograaf de waarheid vertellen en zijn plaats erkennen. Die erkenning maakt duidelijk dat zich tussen de bladzijden van Welcome to Belgium de zoektocht van Charif Benhelima naar zichzelf afspeelt. Hij heeft met deze foto’s zijn eigen verhaal geschreven, en zijn vader en moeder een naam en een gezicht gegeven. Daardoor kan hij op 31-jarige leeftijd eindelijk zichzelf vinden. De tijd heeft hem zijn ouders afgenomen en een deel van zijn verleden blanco gelaten, maar met zijn fotobiografie toont Charif Benhelima zich sterker dan de tijd.

Dat Welcome to Belgium zoveel als een tweede geboorte voor Benhelima betekende, weerklinkt duidelijk in de titel van zijn tweede grote fotografische project: Harlem on my mind. I was, I am. Nadat hij tussen 1990 en 1999 de foto’s voor Welcome to Belgium had gemaakt, trok Benhelima naar New York. Hij kreeg een beurs om er documentaire fotografie te studeren en ging in Harlem wonen. The black capital of Amerika is de laatste jaren erg in trek bij blanke New Yorkers, en de veranderingen die dat met zich meebrengt zijn aanzienlijk. In de jaren zeventig en tachtig was Harlem nog een verpauperde zwarte wijk waar de huizen op instorten stonden, drugshandelaars vrij spel hadden en de werkloosheid rond de dertig procent was. Door de huidige instroom van koopkrachtige bewoners wordt het uitzicht van de stadswijk totaal veranderd, maar het zwarte en arme Harlem is nog niet verdwenen. Het zijn de sporen van het ‘oude’ Harlem die Benhelima in Harlem on my Mind in beeld brengt: verpauperde woonblokken, affiches van Billie Holiday en Malcolm X en desolate straten.

“Fredrick Douglass Bl., Harlem” , 1999, Ilfochrome-Diasec, 120×122,5cm , edition of 5

Net als zijn eerste fotoboek is Harlem on my Mind een tijdsdocument. Terwijl Welcome to Belgium documenteert wat het betekent om vreemdeling te zijn in Brussel aan het eind van de vorige eeuw, archiveert Benhelima hier het Harlem dat op het punt staat te verdwijnen. Met Welcome to Belgium wekte Benhelima zijn eigen verleden tot leven; in Harlem on my Mind legt hij een heden vast dat weldra tot het verleden zal behoren.

Harlem on my mind vormt een voortzetting van de documentaire benadering van Welcome to Belgium, maar is tegelijk een keerpunt in Benhelima’s creatieve proces door het gebruik van een zwart-wit Polaroid 600-camera. Scherpstellen is met die camera onmogelijk, en het vage beeld dat daardoor ontstaat, past bij de instabiliteit, het verdriet en de onrust die veel van deze foto’s uitstralen.

In zijn meest recente fotoreeks Black-Out, die hij maakte tijdens zijn verblijf in Berlijn, gaat Benhelima een stap verder in zijn experiment met de Polaroid. Hij plaatste een filter voor de camera, waardoor de foto’s overbelicht zijn en er een melkachtige nevel over de beelden lijkt te zweven. De alledaagse dingen die hij in beeld brengt – een duif, een basketbal, een rij bomen – zijn daardoor nog nét zichtbaar. Benhelima stelt hier de aard van onze perceptie in vraag: hoeveel informatie hebben we nodig om te weten wat iets echt is? Weinig, zo blijkt: achtergrond en omgeving zijn op deze foto’s volledig verdwenen, en toch is het menselijke oog in staat om de geportretteerde elementen een naam te geven.

“Baseline” , 2006 , Ilfochrome-diasec , 120×122,5cm , edition of 5

Niet alleen de ruimtelijke context is uitgewist op deze foto’s, maar ook de tijd. Payback time, zo lijkt het wel: ooit wiste de tijd een deel van zijn leven uit, maar Charif Benhelima slaat terug. Met Black-Out is het schijnbaar onmogelijke hem gelukt: hij heeft de tijd versteend tot eeuwigheid.

Reacties uitgeschakeld voor Tijd, versteend tot eeuwigheid

Opgeslagen onder Uit een oudere doos

De traagheid der dingen

Deze tekst bij de foto’s van Friederike Von Rauch verscheen eerder in de programmabrochure van deBuren en werd in het Engels en Duits opgenomen in het boek ‘Sites‘ van/over Friederike von Rauch, Hatje Cantz Verlag, 2009

De huilende sirene van een ziekenwagen. Het geluid van rennende voetstappen, onderweg naar straks. De porseleinen stem van een sopraan die haar rol instudeert in het imposante operagebouw aan de overkant van de straat, en simultaan daarmee de symfonie van ongeduldig toeterende taxi’s.

Welcome to Brussels. Metropool van België, hoofdstad van Europa, polyglotte koningin der schone lelijkheid.

Ik wandel door de tentoonstelling 90dagenbrussel van Friederike von Rauch in het Vlaams- Nederlands Huis deBuren. Tijdens een verblijf van drie maanden in Brussel bracht deze Berlijnse fotografe de stad in beeld zoals ze dat ook al met haar thuisstad had gedaan: geen beelden van een metropool zoals we die kennen, maar strakke en zorgvuldig gestileerde foto’s van gebouwen, plekken en ruimtes waar mensen dagelijks voorbijwandelen. In tegenstelling tot Friederike von Rauch echter zijn zij slechts passanten die de wereld registreren in plaats van hem met hun blik vorm te geven.

Von Rauch doet iets vreemds met het fenomeen stad. Iets moois. Iets onverwachts. Met engelengeduld en een haast ontroerend talent voor traagheid tovert ze de mensen eruit weg. Ze wacht op het moment waarop de plek die ze uitgekozen heeft leeg is, en dan pas drukt ze af. We zien een gebouw, een plek of soms een binnenruimte, maar altijd ligt de focus op de leegte. Von Rauch laat ons gebouwen zien die het resultaat zijn van mensenwerk, maar waarop niemand te zien is. Het is precies de leegte die ons in haar foto’s naar binnen trekt.

Ik hoor de stad in-en uitademen terwijl mijn ogen over de foto’s glijden. Daarbuiten een kluwen van beweging, en hierbinnen lege ruimtes en stille stenen. Ook dat is Brussel, ook dat kán Brussel zijn. Alleen: zo zien wij het nooit.

Er zijn nog enkele bezoekers in de zaal. Ik hoor een man met diepe basstem overbodig druk en luid spreken. Ik kijk in zijn richting en zie hoe hij druk gesticulerend met een vrouw staat te praten. Zijn armen klapwieken door de ruimte. Hij heeft het over volumes, architecturale spanning, metaforen en uniformiteit.

De man die plots naast mij komt staan, kijkt met de handen in de broekzakken naar de foto die voor ons hangt. “Mooi, hé”, zegt hij. “Ik vind dat zo schoon. Ik zou de roman willen schrijven waarvan deze foto de omslag is. Het zou een stille, trage roman moeten zijn.”

****

Een roman. Ik knik. Een roman waarin er tijd is voor traagheid en stilte. Voor zoeken en soms vinden, voor eerst kijken en dan zien, voor hardop mijmeren en overtuigd nietsdoen. Of nee, misschien toch geen roman, maar een gedicht. Ja, eigenlijk wil ik de foto’s van Friederike von Rauch vergelijken met poëzie. Poëzie is de kunst van het weglaten. Wat niet gezegd wordt, is even belangrijk als wat wel gezegd wordt. Dichters kunnen zwijgen. Stilte is de essentie van poëzie, en het is ook de essentie van het werk van Friederike von Rauch.

****

Soms denk ik dat mensen de kunst van het zwijgen verleerd zijn. In L’Art de se taire (1771) verdedigt de Franse priester, schrijver en polemist Abbé Dinouart de stelling dat stilte een taal op zich is die krachtiger kan zijn dan woorden. ‘On ne doit cesser de se taire que lorsqu’on a quelque chose à dire qui vaut mieux que le silence.’ Vandaag lijkt het omgekeerde het geval. Beter íets zeggen dan niets, zelfs als datgene wat je zegt nergens op slaat. Spreek en gij zult gehoord worden. Wie zwijgt en nadenkt, wekt onrust. Wie praat, hoe hol de woorden ook mogen zijn, heeft betekenis. De woordvervuiling is algemeen geworden, en daar heeft het internet in belangrijke mate toe bijgedragen. Weblogs schieten als paddestoelen uit de grond. Nooit werden zoveel meningen gespuid als nu en nooit vonden mensen hun mening er zo toe doen als nu. In een tijd waarin snelheid en zappen denorm is, zijn mensen bang geworden voor stilte. Friederike von Rauch vaart met haar foto’s tegen die stroom in.

****

Stilte kan je verlammen. Kan je met de scherpte van een versgeslepen mes verwonden. Het is de stilte tussen twee uitgeprate geliefden die met de moed der wanhoop watertrappelen in een zee van woorden, maar toch kopje onder gaan. Het is de stilte nadat de deur voorgoed in het slot viel, de stilte van een ontwijkende blik, de stilte van opgekropt verdriet.

Maar stilte kan ook gelukkig maken. Ze kan weldadig zijn als de tintelende vingertoppen van je geliefde, lavend als het koele water, troostend als de eerste aarzelende lentezon.

Verlammend of bevrijdend, angstaanjagend of rustgevend: stilte is nooit neutraal. Stilte roept altijd emoties op. De stilte op de foto’s van Friederike von Rauch ontroert zoals een mooi gedicht me kan ontroeren. Wanneer ik blijf kijken, kan ik de stilte horen. Misschien is stilte niet de afwezigheid van geluid, maar net het allermooiste geluid.

De stilte op de foto’s van Von Rauch wint aan schoonheid en kracht omdat ze haar intrede doet op plekken waar je ze niet verwacht. Berlijn, Brussel en Rotterdam zijn nooit stil. Altijd wakker, altijd in beweging. De totale afwezigheid van mensen is daarom bevreemdend. Het geeft de stilte een geladen spanning. Tegelijk voel ik ook rust wanneer ik naar deze foto’s kijk. Ik verlang ernaar om in de beelden te stappen en deel te worden van de rust. Ik doe het niet, want het zou de stilte in scherven uiteen doen vallen, maar stiekem wil ik ronddolen in die stad zonder mensen.

****

Vroeger kende ik alleen mijn dorpje. Nu heb ik ook de grootstad ontdekt. Ik hou van de plaatsen en passages, de geuren en kleuren van de stad. Ik voel me licht wanneer ik me in de massa begeef en één van de vele voorbijgangers word. Maar de stad kan ook vermoeiend zijn. In Brussel kunnen rust en stilte nooit de ruimte in mijn hoofd krijgen die ze in de lege straten van mijn dorp hadden. In Kitab al-Mudun of Het boek der steden (1999) neemt de Syrische dichter Ali Ahmad Sa’id – beter bekend onder zijn pennaam Adonis – een cyclus op van negen gedichten over metropolen in Amerika, Europa en de Arabische wereld. Zijn houding tegenover de grootstad is ambivalent. Hij kent de rijkdom die de metropool biedt, maar is zich ook bewust van wat grootstedelingen missen. In zijn zelfgekozen ballingschap in Parijs roept hij zijn dorpje Qassabine in Syrië voor de geest: “Mais je ne rappelle pas avoir vu une seule étoile danser, lire ou marcher comme les étoiles de mon enfance/J’ai dû m’imaginer les étoiles de Qassabine pour me répérer,/tandis que je flânais les rues,/écoutant la plainte des hommes, fleuve sans embouchure, déferler autour de la Seine”

In het grootstedelijke landschap van Parijs heeft Adonis nog geen enkele ster gezien zoals hij die zag in het dorpje van zijn kindertijd. Wat de dichter eigenlijk zegt, is dit: in de stad kan hij nooit de rust vinden die hij in zijn dorp kende. Net als Adonis raak ik in de grootstad soms de weg kwijt, omdat ik de sterren niet kan zien dansen en de stilte niet kan horen. Soms, wanneer de drukte te zwaar op mijn schouders weegt, zou ik de grote verdwijntruc van Friederike von Rauch willen toepassen. Met haar foto’s heeft zij Brussel, Berlijn en nu ook Rotterdam de traagheid, rust en stilte gegeven die er soms zo moeilijk te vinden zijn.

****

Waar zijn de mensen naartoe op deze foto’s? Door mijn hoofd flitsen beelden van de Amerikaanse stad New Orleans nadat de orkaan Katrina er haar verwoestende doortocht maakte. De koningin der jazzsteden was een spookstad geworden. Verlaten. Leeggelopen. Maar overal waren de sporen van dood en vernieling zichtbaar. Op de foto’s van Friederike von Rauch daarentegen kan geen ramp gebeurd zijn. Alles is netjes achtergelaten. Alles is intact gebleven. Hier zijn mensen niet halsoverkop op de vlucht geslagen. Wat is er dan gebeurd? Is dit een toekomstvisie van onze steden nadat we in een van de komende eeuwen de aarde verlaten hebben voor een andere planeet? Of zijn er wel mensen, maar spelen ze verstoppertje? We weten het niet. We kunnen er zelf een verhaal bij verzinnen, en dat is een van de elementen die deze foto’s tot poëzie maken. Een gedicht is een mysterie waarvan de lezer de sleutel moet zoeken. Poëzie stelt vragen, maar laat die onbeantwoord. Het is aan de lezer om de stiltes en het wit tussen de regels in te vullen.

****

Poëzie en traagheid gaan hand in hand. Schrijvers, en zeker dichters, zijn mensen die de tijd tegenwerken. De dichter vraagt tijd van zijn lezers, en traagheid is voor hem een deugd. De dichter zit op zijn stoel. Hij wacht. Hij heeft geduld. Zijn werk gaat soms onmerkbaar vooruit. De dichter neemt tijd om te aarzelen, om te herroepen, om te schrappen, om te wachten. Literatuur, en bij uitstek poëzie, heeft baat bij traagheid.

De werkwijze van Friederike von Rauch doet denken aan de dichter die zijn poëzie neerschrijft. Zoals een dichter de tijd neemt om de juiste woorden te vinden, zo nam Friederike von Rauch haar tijd om Brussel en Rotterdam grondig te leren kennen. Ze moest de stad eerst in zich opnemen vooraleer ze haar foto’s kon maken. Dan kwam het zoeken naar de plekken en ruimtes die ze in beeld wilde brengen. Soms wachtte ze lang, heel lang op het moment dat in haar blikveld geen mensen meer te zien waren. Zoals poëzie de dichter en de lezer zachtjes tot traagheid dwingt, zo dwingt ook Von Rauch met haar werk zichzelf en de kijker tot traagheid.

Ik zal u iets vertellen. Misschien weet Friederike von Rauch het zelf nog niet, maar ik heb het ontdekt: zij is een dichteres. Traagheid is haar handlanger, de stilte haar beste vriend, gebouwen haar verzen en de leegte het wit tussen de regels.

2 reacties

Opgeslagen onder Uit een oudere doos

Briek & Jelle

Nu Jelle Vanendert in de bolletjestrui rijdt en ons terugbrengt naar lang vervlogen Lucien Van Impe-tijden, haal ik als eerste item uit de oude doos deze column over Briek Schotte tevoorschijn.

Een filosoof uit Tielt

Briek. De naam alleen al klinkt compact, stevig, uit één stuk. Zo was ook de man zelf: niet voor niets werd hij IJzeren Briek genoemd. Hij had een bast van goud, een hoofd van ongepolijst marmer, benen van staal en de tong van een dichter. Gewoon fietsen deed hij niet, dat was te makkelijk. Nee, koersen, dat was voor hem ‘stampen tot ge niet meer weet van welke parochie ge zijt.’

Als er één man is van wie ik trots ben dat hij in Tielt geboren werd, dan is het wel Briek Schotte. Zijn standbeeld als stoempende en wroetende renner op het dorsplein van Kanegem kan niet symbolischer zijn: een ijzeren hulde aan de laatste der Flandriens. Altijd als ik er langsfiets, buig ik het hoofd voor de brok puur natuur die deze man was. Briek fietste in een tijd waarin van ploegbussen, personal coaches en miljoenencontracten nog geen sprake was. Hij duwde gewoon op de pedalen tot hij sterretjes zag, trok in de Tour de France van 1948 bij vriesweer zijn lekke tube met zijn tanden van de velg en had altijd een steeksleutel, twee reservemoeren en een set remblokjes op zak. Als we vandaag vinden dat wielrenners flink wat te lijden hebben, moeten we altijd Briek even voor de geest halen.

Toen Briek Schotte in 1948 voor de tweede keer het WK won, weergalmde zijn stem luid over de radio: “Moeder, moeder, hoort gij mij? Ik heb gewonnen en ben wereldkampioen!” Je zou bijna heimwee krijgen naar de tijd waarin mobiele telefoons nog niet bestonden en goed nieuws gewoon over de radio werd meegedeeld

Ik heb aan de universiteit de grote filosofen gelezen, maar van Briek heb ik minstens even veel geleerd. Dit bijvoorbeeld: dat je overgave moet leggen in wat je doet. Dat je altijd tot het uiterste moet gaan. Dat er niets mooiers is dan van je passie je beroep te maken. “Ik mis het fietsen nog elke dag,” zei Briek als oude man. “De koers is mijn leven. Al van jongs af aan was ik er zot van.”

Zo wil ik oud worden: terugkijken, een zacht gemis voelen maar glimlachen en denken dat ik altijd heb gedaan waar ik zot van was. Of om met het de dichter Fernando Pessoa te zeggen: Leg al wat je bent/In ’t minste wat je doet./Zo blinkt de maan in ieder meer geheel/Wijl zij verheven leeft.

(Eerder verschenen in Het Nieuwsblad van 7 maart 2009)

Reacties uitgeschakeld voor Briek & Jelle

Opgeslagen onder Uit een oudere doos