Daar, op die paletten, met die kinderen om mij heen: daar en dan werd ik schrijver

Deze column verscheen eergisteren op DeMorgen.be

Elke week kiest onze taalcolumniste Ann De Craemer het #WoordVanDeWeek. Dat kan een actueel woord zijn, een hip nieuw woord, een woord dat een snaar raakt, een totaal vergeten woord of een woord dat allang had moeten bestaan. Deze week: doef.

 Er zijn woorden die niets aanrichten wanneer ze in je gehoorgang arriveren. Ze gaan, letterlijk haast, het ene oor in en het andere weer uit. Flesje. Water. Toetsenbord. Deadline. Column. Vrijdag.

Andere woorden nestelen zich in je gehoorgang om daar nog lang te blijven nazinderen. Ze klauteren richting je brein, waar ze een herinnering lospeuteren waarvan je niet eens wist dat je ze nog had.

‘Het is zo doef’, zuchtte iemand gisteren. Ze had het over het weer. Doef. Die zware plofklank -f waarmee het woord eindigt geeft je een boem, klets, patat die nog even blijft nazinderen. ‘Doef’ is een woord dat met nazinderen in de létterlijke betekenis alles te maken heeft. ‘Het is doef’, dat zeggen we in Vlaanderen wanneer het zo warm is dat je, ook al letterlijk, niet weet waar kruipen. Het asfalt smelt. De koeien vallen om. NMBS is de afkorting van Nationale Maatschappij der Bezwete Smelttreinen.

Wie een nieuw doef woord wil uitvinden, kiest het best voor een -oe- in het midden; zie daarvoor ook ‘zwoel’. De -oe- is een klank zo rond als de zon die hoog aan de hemel staat. ‘Doef’ is het allerwarmste woord uit onze taal, omdat het lekker zwaar en drukkend eindigt met een van de letters uit ­— weet u nog? ­— het ‘kofschip’, waarin de stemhebbende medeklinkers van het Nederlands zich knusjes rond twee klinkers hebben geschaard.

Nog geen half uur nadat ik gisteren sinds lang weer het woord ‘doef’ had gehoord, slaagde het erin om een vergeten herinnering wakker te maken.

Ik ben twaalf jaar. Het is acht uur ’s avonds. Ik zit met vier kinderen uit de buurt in de tuin van de twee jongste, bovenop een hoop op elkaar gestapelde paletten. De hemel is nog kobaltblauw, al verbergt de zon zich stilaan achter sluierwolken. Heel veraf nog hoor je de donder zich klaarmaken voor een grandioos concert. De vier buurtkinderen zijn een stuk jonger dan ik. Twee van hen, een tweeling, heb ik een jaar eerder met de fiets leren rijden. We schrijven 1993. Er is geen internet. Er is televisie, maar ‘s zomers viel daarop toen nog minder te beleven dan nu. De tijden zijn nog analoog. Wanneer het warm wordt, is er maar één iets wat je als kind kan en ook wil doen: buitenspelen.

De buurtkinderen zijn bang voor de donder die komt. Ze kruipen dichter tegen me aan. De jongste van de vier kijkt met schrikogen naar de hemel. De oudste vraagt me wat dat eigenlijk is, de donder, en de bliksem. Ik weet dat ik iets moet vertellen om de angst te verdrijven. Nu, à la minute. Iets verzinnen. Ik kijk naar de paletten waarop we zitten en begin. ‘In de wolken,’, zeg ik, ‘woont de dondergod Thor’ ­— handig gebruikmakend van de Germaanse mythologie waar ik het voorbije schooljaar mee kennismaakte. De rest van het verhaal verzin ik zelf: ‘Thor is slim. Net als wij vindt hij het niet leuk wanneer het te warm wordt en onze huid rood verbrandt en we zuchten en zweten omdat het zo doef is. Als de zon maar niet ophoudt met schijnen, dan neemt Thor een heleboel paletten, zoals degene waarop wij nu zitten. Hij stapelt ze op elkaar tot hij een toren heeft die helemaal tot de zon reikt. Daarop klimt hij palet voor palet naar omhoog, tot bij de zon, en dan blaast hij haar uit, zoals wij kaarsjes op een taart uitblazen. Telkens als Thor hard blaast, hoor je het donderen.’ De kinderen glimlachen. De donder is dichterbij gekomen, maar ze zijn niet meer bang.

Wanneer men mij vraagt wanneer ik ben beginnen te schrijven, antwoord ik altijd met de titel van mijn debuut, maar eigenlijk, zo deed de herinnering aan het woord ‘doef’ me beseffen, ben ik daar en dan, op die paletten, schrijver geworden. Het moet toen zijn geweest dat ik besefte dat er niets mooiers is dan dit: mensen met woorden betoveren.

Zelf ken ik alleen de uitdrukking ‘het is doef’, maar, zei een vriend, in bijvoorbeeld het Leuvense zegt men ook ‘ik ben doef’ of ‘ik ben doeffens’. Wat betekent: ik voel me moe, zwaar, in een dipje. Ik wens u een zomer waarin u het woord ‘doef’ alleen in de letterlijke betekenis voelt, en waarin u, net als Thor, figuurlijk hoger dan de zon mag klimmen.

Deze #WoordVanDeWeek-column gaat tijdens de zomermaanden met vakantie. Vanaf komende week is Ann De Craemer elke dinsdag en donderdag te lezen in een nieuwe column voor De Morgen.

 

 

Reacties staat uit voor Daar, op die paletten, met die kinderen om mij heen: daar en dan werd ik schrijver

Opgeslagen onder Columns

Reacties zijn gesloten.