De strandbeesten: fake, maar toch nét echt

Deze column verscheen gisteren op DeMorgen.be

Elke week kiest onze taalcolumniste Ann De Craemer het #WoordVanDeWeek. Dat kan een actueel woord zijn, een hip nieuw woord, een woord dat een snaar raakt, een totaal vergeten woord of een woord dat allang had moeten bestaan. Deze week: strandbeest.

Ik was zeven en het was kerstvakantie. Buiten vielen vlokken als plukken dik dons uit de hemel. Binnen brandde de kachel. Ik had alle stoelen van de woonkamer achter elkaar gezet. Op elk ervan zat een pop. Ikzelf nam plaats op de eerste stoel, want van de trein waarin we nu zaten was ik de machinist. We vertrokken op reis. Naar Zwitserland. Daar was er namelijk nog meer sneeuw dan thuis. Eenmaal onze trein halthield, was ik meteen bezorgd om mijn poppen. Het vroor stenen uit de grond in ons land van aankomst, dus ze moesten het wel ijzig koud hebben. Ik nam hen mee naar mijn slaapkamer, die de hotelkamer van een Zwitsers bergdorp was geworden. Ik ging naast hen in bed liggen en sprak hen sussend toe: ‘Zo. Nu kunnen jullie het niet meer koud hebben!’ Zelf brak het zweet me uit onder drie zware dekens, maar mijn poppen waren tevreden en dus was de wereld goed.

Een hart en ziel toekennen aan levenloze objecten: het is iets waarvoor we de verbeelding van een kind nodig hebben. Als volwassene zijn we het afgeleerd om kenmerken van leven niet exclusief voor mens en dier te reserveren. Of nee — misschien toch niet helemaal, dacht ik toen ik vorige week de strandbeesten van de Nederlandse ‘kinetische kunstenaar’ Theo Jansen ontdekte. Ik werd weer het kind van zes dat wérkelijk geloofde dat haar plastic poppen gevoelens hadden, en gedachten, en eigen willetjes en grilletjes.

Een moderne Leonardo Da Vinci. Zo kun je Theo Jansen nog het best omschrijven. Hij werkt op het snijvlak van wetenschap en kunst en net als Da Vinci maakt hij tekeningen van objecten die hij later leven wil inblazen ­— wat hém ook is gelukt. Aan de universiteit van Delft studeerde de man ooit natuur- en scheikunde, maar daar stopte hij mee omdat hij kunstenaar wilde worden. Zijn kennis van techniek en wetenschap zou hem nochtans goed van pas komen wanneer hij, na het schrijven van een column in de Volkskrant, in 1990 naar de Gamma stapt om daar het materiaal voor zijn eerste strandbeesten te kopen. Met gele pvc-buizen, aaneengeplakt met tape, maakte hij zijn eerste exemplaar. Anno 2017 heeft Jansen door evolutie en natuurlijke selectie 39 soorten ontwikkeld. Door de jaren heen zijn de strandbeesten ingewikkelder geworden en zijn hun bewegingen ook steeds meer op die van levende beesten gaan lijken, terwijl nochtans alleen de wind ervoor zorgt dat ze uit zichzelf op wandel gaan.

De evolutie zet zich jaar na jaar verder en intussen hebben de strandbeesten ook hersenen, zenuwuiteinden en spieren, in de vorm van buisjes, zuigertjes, pompen en kranen die zich openen en sluiten, afhankelijk van waar de lucht komt. Een sensor kan registreren wanneer het strandbeest in het water loopt, waarna er via een kraantje een pomp in werking treedt die het beest op zijn stappen doet terugkeren. ‘De strandbeesten zijn doof en blind’, aldus Theo Jansen vorig jaar in een interview in deze krant, ‘maar de komende twintig jaar wil ik ze zodanig zelfstandig maken dat ze op het strand kunnen overleven. Ze moeten dan bijvoorbeeld kunnen inschatten of ze op nat of droog zand stappen. Of ze moeten hun stappen tellen met een pompje.’ Elke zomer test Jansen op het strand van Scheveningen een nieuw strandbeest uit. Binnenkort is het de beurt aan de Animaris Proboscis of het slurfzeedier.

Uren kan ik met open mond zitten kijken naar hoe de strandbeesten zich over het zand verplaatsen. Ik ben geen uitzondering: Jansen trekt de wereld rond met zijn creaties, die niet alleen kinderen maar ook volwassen weten te begeesteren. Mij kunnen ze zelfs bijna tot tranen toe ontroeren, terwijl mijn verstand wéét dat het niet om echte dieren gaat. Dat het woord ‘beest’ misleidend is. Het is plastic. Tape. Stukken zeil. Buizen. Pure techniek. Maar de strandbeesten schakelen mijn beredeneerd denken uit. Ze maken het kind in mij wakker. Hoe langer ik naar hun getrippel en getrappel kijk, hoe meer ik hen als levende wezens zie. Het doet denken aan wat in de literatuur met een Engelse term ‘suspension of disbelief’ heet; misschien nog het best te vertalen als ‘uitschakeling van ongeloof’: de bereidheid van een lezer om bij een fictief verhaal zijn ongeloof tijdelijk opzij te zetten. Gebeurtenissen die in werkelijkheid niet mogelijk zijn, worden geaccepteerd als ‘wel mogelijk’ binnen het fictieve universum waarin het verhaal zich afspeelt.

Het begrip ‘fake news’ is vandaag zo alomtegenwoordig dat we, vooral wanneer we de sociale media volgen, maar beter niet te snel aan ‘suspension of disbelief’ doen. Maar gelukkig kan het af en toe nog wel. Gelukkig mogen we af en toe in iets geloven wat eigenlijk nep is, zoals Jansens wonderlijke strandbeesten, die de knop ‘fake’ in mijn hoofd deactiveren en van mij opnieuw een meisje van zeven maken dat op reis met haar levende poppen vertrekt.

Reacties staat uit voor De strandbeesten: fake, maar toch nét echt

Opgeslagen onder Columns

Reacties zijn gesloten.