Geloof in de schoonheid van je eigen dromen

Gisteren mocht ik aan de Universiteit Antwerpen de afstudeerrede geven tijdens de proclamatie van de studenten taal-en letterkunde en vertalen & tolken. Omdat een aantal studenten en hun ouders daarnaar vroegen, plaats ik de tekst van mijn speech hier online.

Beste studenten,

Beste familie, vrienden en geliefden,

Geachte rector, decaan en docenten,

Terwijl jullie met meer dan vijfhonderd paar ogen naar mij kijken, probeer ik me voor te stellen wat er door jullie hoofden gaat. Jullie hebben misschien daarnet mijn naam gegoogled en gelezen dat ik geboren ben in 1981. Kwiek als jullie brein nog is, hebben jullie meteen uitgerekend dat ik dus drieëndertig jaar ben. Meteen daarna, geef maar toe, hebben jullie gedacht: komt iemand die nog maar tien jaar ervaring heeft met wat men ‘het echte leven’ noemt ons vandaag haar wijsheid verkondigen?

Wel ja, dus. Zelf denk ik bij het woord ‘afstudeerrede’ ook veeleer aan bezadigde heren en dames, dus ik moet de Universiteit Antwerpen bedanken dat ze mij, jonge snaak, de kans geeft om jullie een laatste keer met inzichten te besprenkelen. Alvast dit ter mijner verdediging: drieëndertig is de leeftijd waarop voor Jezus de eeuwigheid wachtte, dus wie weet heb ook ik het stadium bereikt waarin ik oneliners debiteer die straks de wereld veroveren.

Geen nood: ik zal op deze kleine berg geen bijbelse rede houden. Ik zal wel doen wat schrijvers het liefst doen, en dat is verhalen vertellen. Ik wil jullie drie verhalen vertellen over de weg die ik de voorbije tien jaar heb afgelegd. Het is een weg waarover ik soms in volle galop heb gereden, maar soms ook ben ik gestruikeld, en soms zelfs zwaar ten val gekomen. In elk geval is het een weg met een routebeschrijving waarvan ik hoop dat ze een richtingaanwijzer in jullie hoofd kan doen knipperen.

Het eerste verhaal speelt zich af net na mijn eigen proclamatie als germaniste, in september van het gezegende jaar 2003. Toen na dat deftige gebeuren de deuren van de aula openzwaaiden, besloten we met een hoop vrienden nog een keer niet-zo-deftig op café te gaan vooraleer met ‘het echte leven’ te beginnen. We werden vergezeld door drie professoren die duidelijk een brandend verlangen voelden om ook even aan hun echte leven te ontsnappen, en een uur later zaten we in de roemrijke Gentse kroeg ’t Damberd. Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan, luidt een gevleugeld spreekwoord, maar dat is niet altijd waar. Eén onzer professoren die net zijn vierde Duvel had besteld, zei namelijk, als was het de laatste les die hij ons wilde meegeven: ‘De wereld, beste mensen, behoort aan hen die geloven in de schoonheid van hun dromen.’

We schaterlachten, zoals we op dat moment om alles schaterlachten, maar de kater die mij de dag nadien wakker miauwde, slaagde er niet in de woorden van de professor uit te wissen. Ja, wist ik toen meer dan ooit tevoren: ik moest geloven in de schoonheid van mijn dromen.

Mijn grootste droom was, toen al, om van mijn passie en dus van mijn pen mijn beroep te maken. Mijn ouders echter vonden dat ik na de Germaanse de lerarenopleiding moest volgen. Dat deden toch zoveel van mijn vrienden, klonk het, en als leerkracht zou ik altijd werkzekerheid hebben. Ik rolde met mijn ogen voor de vermanende vinger van vader en moeder, al kon ik hun bezorgdheid begrijpen: ik kom uit een arbeidersgezin, en mijn ouders hadden hard gewerkt om mij en mijn zus te kunnen laten studeren. Natuurlijk wilden ze dus niets liever dan dat ik een vaste, betrouwbare, respectabele job zou hebben die me de kans zou geven om elke maand netjes op tijd mijn facturen te betalen, en later een huis te bouwen, met voor de deur niet de gammele auto van vijftien jaar oud die ik vandaag heb.

Ik heb niet geluisterd naar mijn ouders, maar wel naar de schoonheid van mijn droom. Werkzekerheid mocht niet de reden zijn om in het onderwijs te stappen. Ik moest me daartoe geroepen voelen, en dat was niet het geval – en niets, zo vertelt ook de laatste roman van Herman Koch, is erger dan een ongepassioneerde leerkracht voor je neus krijgen. Ik volgde dus geen lerarenopleiding maar een Master in American Studies, waar ik volgens mijn moeder helemaal niets zou kunnen mee aanvangen, maar ik droomde ervan om te schrijven en aan journalistiek te doen, en ik luisterde alleen naar die droom.

Ik wens vurig dat jullie dat ook doen. Jaag vanaf dit eigenste moment de droom na die zich nu misschien al in je hoofd heeft genesteld. Als je nog geen droom hebt, verzin er dan een, want elk leven heeft een droom nodig. ‘We grow great by dreams’, zei de Amerikaanse president Woodrow Wilson, en zo is het precies: een droom najagen zal je boven jezelf doen uitstijgen. Volg alleen je eigen dromen, en nooit die van een ander. De weg die voor jullie ligt is nog lang, en als je een pad volgt dat anderen voor je hebben uitgestippeld, metsel je voor jezelf een betonnen muur waar je hoe dan ook keihard het hoofd tegen zal stoten.

Dat je het pad van je droom volgt, betekent geenszins dat je niet af en toe zal struikelen – en daarmee heeft mijn tweede verhaal alles te maken. Na mijn American Studies wilde ik in ‘iets in de journalistiek’ doen, en dus sprong ik een gat in de lucht toen ik een vacature zag voor ‘correctie en eindredactie’ bij De Streekkrant en Krant van West-Vlaanderen. Je moest er een diploma taal- en letterkunde voor hebben, en, zo stond letterlijk in de vacature, het Nederlands perfect beheersen. Ik kreeg de job en trok op dag één gezwind naar het werk, waar ik al snel ontdekte dat men in vacatures niet altijd de waarheid vertelt. Mijn job kwam vooral hier op neer dat ik pagina na pagina moest controleren of er tussen artikels en advertenties verticale en horizontale strepen stonden, en zo ja, of die recht waren, en of er geen fouten waren geslopen in de vierkleurendruk van de advertenties.

Al na één week reed ik huilend naar huis. Ik was kwaad, want wie dachten zij wel dat ze waren – een diploma Germaanse eisen om lijntjes en kleurtjes te controleren? Ik zou ermee stoppen, vertelde ik mijn ouders, want daarvoor had ik niet gestudeerd. Zij antwoordden, met de wijsheid van ouders die zo irritant is omdat ze zo vaak klopt, dat ik niet zo snel mocht opgeven. Ik beet dus op mijn tanden, tot ik na een paar weken mijn stoute schoenen aantrok en aan de hoofdredacteur van de krant vroeg of ik artikels mocht schrijven. Hij gaf me de kans, en na een paar proefteksten was ik niet langer corrector maar redacteur. De dag waarop ik voor het eerst mijn naam boven een artikel zag, was beslist een van de mooiste van mijn leven.

Niemand echter had me die vreugde in de schoot geworpen. Een student van de Universiteit Gent die me vorige week voor Schamper interviewde over mijn nieuwe boek, zei dat je het als journalist alleen kan maken als je door iemand wordt opgepikt. Bullshit! Niemand zit op je te wachten en niemand zal je oppikken als je zelf geen actie onderneemt. Alle mensen die je bewondert, of het nu om schrijvers, muzikanten of zakenmensen gaat, hebben hun plek veroverd omdat ze zelf tot actie zijn overgegaan. Aan jullie de keuze: of je kan stilzitten en wachten wat er op je pad komt, waarmee je je eigen versie van Wachten op Godot zal schrijven, of je kan het heft in handen nemen en de hoofdrolspeler van je eigen leven worden.

Het resultaat van mijn initiatief bij de Krant van West-Vlaanderen was dat ik mijn eerste stappen als journalist kon zetten. Ik verdiende weinig, maar dat kon me ook weinig schelen – en geld brengt me bij het derde verhaal dat ik jullie wil vertellen. Na drie jaar in de journalistiek, eerst bij de Krant van West-Vlaanderen en daarna bij Focus Knack, vond ik dat ik te weinig loon naar werk kreeg en besloot ik mijn pen een tijd in de wilgen te hangen.

Het was de grootste vergissing van mijn leven.

Ik werkte vanaf 2006 voor het Vlaams-Nederlands Huis de Buren, waar ik mee het programma in mekaar zette. Ik verdiende pakken meer, maar stelde al snel vast dat ik niet hield van wat ik deed. Het werk was niet saai of afstompend, maar ik kon er mijn ziel niet in kwijt. Ik maakte fouten, zat regelmatig met mijn hoofd ergens anders, en het lood in mijn schoenen ging met elke ochtendlijke treinrit van West-Vlaanderen naar Brussel zwaarder wegen. Genoeg verdienen om elke week in de Nieuwstraat om de hoek te kunnen shoppen was natuurlijk aangenaam, maar als ik daarna in de spiegel keek, zag ik alleen materiële tekenen van weelde. In mijn hoofd voelde ik me arm.

Toch nam ik niet zelf de beslissing om ermee te stoppen. Ik bleef mijn ogen sluiten voor hoe slecht en zelfs depressief ik me voelde. Ik moet, terugkijkend, mijn toenmalige baas dan ook bedanken dat hij me in de winter van 2009 ontsloeg. Op dat moment was het een ramp, want ik was mijn goedbetaalde job kwijt, had geen idee van wat de toekomst zou brengen, en raakte keihard rock bottom. Drie maanden was ik een hoopje ellende, maar hoe vreemd het ook kan klinken: het waren net die maanden die mijn leven in de juiste plooi hebben gelegd. Plots werd ik gedwongen om niet langer te doen alsof ik iemand anders was dan wat ik werkelijk was. Het vacuüm waarin ik was beland opende mijn ogen en verplichtte me al mijn energie te richten op datgene wat ik echt wilde doen, en waarvan ik toen met nog méér zekerheid wist dat ik er mijn leven aan wilde wijden: boeken schrijven.

Ik was bevrijd. Ik kon beginnen aan de spannendste reis die ik in dit leven al heb ondernomen, namelijk mezelf worden. Het leven is geen sprookjesboek, en het werkende leven is het, in alle eerlijkheid, vaak minder dan het studentenleven, dus ook jullie zullen falen. Maar wees niet bang om te falen. What doesn’t kill you, makes you stronger, of, om het iets chiquer met Winston Churchill te zeggen: ‘Success is not final, failure is not fatal: it is the courage to continue that counts.’ Als je faalt, laat er het hoofd niet voor hangen, maar vraag je af waarom je gefaald hebt, en wat het leven je daarmee wil vertellen.

In mijn geval schreeuwde het leven dat ik moest schrijven, en dat de boeken zich niet vanzelf zouden schrijven. Toen ik na mijn ontslag weer overeind krabbelde, besloot ik een boek over Iran te maken – het land waarover ik mijn twee afstudeerscripties had geschreven. Ik diende bij het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek een aanvraag in voor een werkbeurs en trok tijdens de presidentsverkiezingen van 2009 een maand door Iran. Ik vroeg aan de krant De Standaard of ik kon bloggen over mijn tocht, en toen ik terug was, begon ik aan mijn eerste boek.

Ik was schrijver. Ik was geworden wat ik altijd al was. Ik had de zon in mij ontdekt, en met die zon verwijs ik naar een citaat van Louis Paul Boon, die dit zei over arbeidsvreugde:

 “Ge moet nooit voor uzelf de zon gaan zoeken in de boeken of op de kermis, in de kerk of onder de rokken van een vrouw, in het diepste van de zee waar veel geld moet liggen of in de verte waar misschien een luilekkerland is, maar ge moet met liefde arbeiden aan het werk waarin ge het handigst zijt, en beseffen dat uw werk, hoe simpel het ook is, deze en de komende geslachten helpen zal. Over uw eerlijke arbeid in dienst van de gemeenschap zittend, zult ge ontdekken dat ge nergens de zon moet gaan zoeken, want zij zit binnen in u.”

De zon zit binnen in u, zegt Boon. Je zult mij niet horen vertellen dat het in de zonnestralen van het geld of van een ver luilekkerland ook niet geweldig toeven kan zijn. Maar geloof me: het is de zon in jezelf die de zomer het langst zal laten duren. Ik weet niet hoe bij elk van jullie die zon eruitziet, en waar ze in de toekomst haar licht zal laten schijnen. Zoals bij alle zaken die het hart aanbelangen, zullen jullie zelf weten wanneer je de zon hebt gevonden. Het kan even zoeken zijn, en ik weet dat de arbeidsmarkt die jullie straks betreden er momenteel niet bepaald rooskleurig uitziet. Maar blijf vooral zoeken, want jullie werk zal een groot deel van jullie bestaan uitmaken, en pas als je houdt van wat je doet, zal je ook fantastisch werk leveren dat niet alleen jezelf maar ook anderen gelukkig zal maken.

Denk niet dat ik daarnet Boon heb geciteerd om een armeluizenbestaan te propageren. Natuurlijk gun ik jullie een goed loon, maar bovenal wens ik jullie iets toe wat jullie veel verder zal brengen dan eender welke dure auto, en dat is verbeelding. Jullie komen straks terecht in een maatschappij waarin meer belang wordt gehecht aan geldbejag dan aan verbeelding. Daar heeft de Amerikaanse schrijver Saul Bellow prachtig over geschreven in zijn roman Humboldt’s Gift. Hij voert er de dichter Von Humboldt in op, die na zijn eerste succes kapotgaat aan de verlokkingen van ‘de wereld’, maar ook aan het besef dat de moderne tijd hem niet langer nodig heeft. ‘Orpheus bracht nog stenen en bomen in beweging’, aldus Bellow. ‘Maar een dichter kan geen baarmoeder verwijderen of een raket het zonnestelsel uit schieten.’

Dat kan hij inderdaad niet, en jullie, studenten taal- en letterkunde en vertalen en tolken, zullen vast de vooroordelen kennen die in onze maatschappij bestaan over datgene wat jullie de voorbije jaren hebben bestudeerd. Het gaat hier immers niet om technologische en wetenschappelijke kennis, maar om wat sommigen als al te zachte of zelfs nutteloze kennis bestempelen.

Nee, jullie zullen binnenkort geen baarmoeder verwijderen of een raket het zonnestelsel uit schieten, zoals bètastudenten dat wel zullen doen. Maar jullie beschikken bij uitstek over een gave waar zelfs de meest bekende bètamens ooit, Albert Einstein, de kracht van inzag. ‘Verbeelding is belangrijker dan kennis’, zei hij. ‘Want kennis is begrensd tot al wat we weten en begrijpen, terwijl verbeelding de hele wereld omarmt, en al wat er ooit zal te weten en begrijpen zijn.’

Verbeelding hebben jullie, want jullie zijn de studenten die de voorbije jaren romans hebben gelezen; de studenten die zich hebben moeten leren voorstellen hoe mensen eeuwen geleden een taal spraken; de studenten die over genoeg verbeelding moeten beschikken om woorden op zo’n manier in een andere taal om te zetten dat ze even poëtisch of krachtdadig klinken als in het origineel.

Ik geloof dat die kracht van jullie verbeelding niet alleen een sleutel tot succes in jullie leven zal zijn, maar ook tot geluk. Verbeelding is immers ook de gave om zich in andere mensen en gevoelens te verplaatsen, en is dus ook een ander woord voor empathie. Daarvan wens ik jullie in jullie persoonlijke maar ook werkende leven een overvloed toe. Je zal het kunnen gebruiken, want zelfs als je je droomjob hebt gevonden, zullen collega’s, bazen of opdrachtgevers je soms het leven zuur maken. Wie zich dan kan afvragen waarom ze dat doen in plaats van meteen in de tegenaanval te gaan, zal stukken meer rust ervaren. Onvermijdelijk ook zal er zelfs bij een mooie job routine komen kijken, en als je je dan, starend naar een scherm, een wiegend graanveld in de zomer kunt voorstellen, of als je je kunt voorstellen dat er mensen in landen zijn die dromen van een dagelijkse routine, zal je eigen realiteit een andere tint krijgen.

Ik ben bijna klaar, en jullie mogen dus bijna op café, met of zonder proffen. Toen ik tien jaar geleden afstudeerde, gaf mijn beste vriendin me een kaartje. Op de voorkant stond een citaat van de Franse schrijver Jean Cocteau: ‘Ecrire est un acte d’amour. S’il ne l’est pas, il n’est qu’écriture.’ Schrijven is een daad van liefde, als het dat niet is, dan is het slechts handschrift. Ik heb het kaartje naast mijn computer gehangen, en vandaag hangt het er nog steeds.

Mogen ook jullie op de weg die zich nu voor jullie uitstrekt een werk vinden waar jullie echt van houden.
Mogen jullie altijd blijven geloven in de schoonheid van jullie dromen.
Mogen jullie niet opgeven als het moeilijk wordt – en moeilijk zal het soms worden.
Mogen jullie eeuwig over een studentikoze Sturm und Drang beschikken om de wereld te willen veroveren.
Mogen jullie voldoende verbeelding hebben om jullie leven een print in vierkleurendruk te laten zijn, en mogen jullie durven buiten de verticale en horizontale lijntjes kleuren.

De eerste zin van het eerste boek dat ik schreef was een vers van de Perzische dichter Saadi, en luidde als volgt:“Verlang vurig naar iets! Zadel je paard en maak je klaar voor de ontdekkingstocht.”

De tijd, beste studenten, is aangebroken om jullie paard te zadelen en de weg in te slaan waarover jullie het liefst willen draven. Ik wens jullie een fantastische ontdekkingstocht.

5 reacties

Opgeslagen onder Columns

5 Reacties op “Geloof in de schoonheid van je eigen dromen

  1. Sabien Hanoulle

    Alleen tijdens jouw (lange) rede was het stil in de zaal… Boeiend en passend.

  2. Pingback: De schoonheid van je eigen dromen | Bits and Bites

  3. Blijf dromen en laat ons van je pen genieten.

  4. schitterend! En een ‘opfrissing’ voor al wie al een tijdje in de routine zit