Het verleden als onverwoestbare tweede thuis

Ik was vier en zat op de dorpel van ons huis. Zoals elke dag in de zomervakantie wachtte ik op mijn vader die fietsend van zijn werk zou terugkeren. Het was een ritueel waar ik erg aan hechtte, misschien omdat hij altijd zo opgetogen keek wanneer hij me al van ver zag wuiven. Plots drong zich een behoefte op waaraan ik dadelijk gehoor had moeten geven, maar ik bleef zitten, want ik wilde de onuitgesproken middagafspraak met mijn vader niet schenden. Luttele minuten later werd ik gestraft voor mijn trouw: er was een ongelukje gebeurd in het blauwe sponzen jaren 80-shortje waar ik zo verzot op was.

De herinnering daaraan kwam boven toen ik het broekje tegenkwam terwijl ik mijn kleerkast opruimde, altijd een taak waaraan ik met goede voornemens begin wanneer een boek klaar is en zich een zee van tijd voor mij uitstrekt. Mijn moeder kon het shortje blijkbaar niet weggooien, en ik evenmin. Ook zonder die versleten sponzen stof weet ik dat ik mijn vader graag zag en zie, maar weinig dingen kunnen die emotie zo scherp oproepen als dat oude kledingstuk. Dat heb ik met wel meer voorwerpen: het potlood waarmee mijn grootmoeder voor het laatst haar naam neerschreef, of – hoe sentimenteel het ook moge klinken – drie gedroogde rozen uit het eerste boeket bloemen dat een geliefde me gaf. Fetisjisme is dat niet; wel een uiting van de graagte waarmee ik naar het verleden reis, en van de manier waarop die relicten de tocht gedetailleerder kunnen maken. Soms heb ik het gevoel dat ik een schrijver in ballingschap ben zoals Joseph Brodsky die kenschetst in The condition we call exile, waarin hij de auteur in ballingschap een ‘retrospectief wezen’ noemt. Het verdwijnen van het verleden maakt deel uit van ieders leven, maar wie ook letterlijk zijn land verlaat, ervaart dat verlies veel sterker. Het heden speelt zich ergens anders af dan het verleden, en dat maakt het verlies tastbaarder. Een schrijver-balling kan zijn verleden nooit loslaten, en heimwee gaat zich blijvend in hem nestelen: ‘Zoals de valse profeten in Dantes Inferno is zijn hoofd eeuwig naar achteren gedraaid, en zijn tranen, of speeksel, lopen tussen zijn schouderbladen naar beneden.’

Een balling ben ik niet, maar misschien is zelfs dat niet waar, want zijn niet alle schrijvers ballingen in de zin dat ze buitenstaanders zijn – en dat ook horen te zijn? Meer nog: eigenlijk zijn we allen ballingen, met name van ons eigen verleden. Daarom wekken mensen wat geweest is graag opnieuw tot leven; houden we ervan fotoalbums te doorbladeren, en kunnen we kledij die een bijzonder moment markeerde moeilijk weggooien – of het nu een trouwjurk is of een blauw sponzen shortje. Het zijn niet langer zomaar voorwerpen zonder ziel, want ze roepen herinneringen op die verleden en heden aan elkaar lijmen, en ons daarom beter doen begrijpen wie we wel of niet geworden zijn. Geen schrijver heeft dat mooier verwoord dan Tony Judt, die in De geheugenhut nostalgie ‘een buitengewoon bevredigend tweede huis’ noemde.

Vandaag ben ik meer dan anders een schrijver in ballingschap, want ik ben sinds vorige week echt klaar met Kwikzilver en moet nu mijn dagen een andere invulling zien te geven.

Om één geheel te blijven in de moeilijke periode die volgt op het beëindigen van een boek, fiets ik dezer dagen vaak terug naar de plek waar een groot deel van Kwikzilver zich afspeelt, meer bepaald de industriezone waar ooit op het nu verdwenen platteland het huis van mijn grootmoeder stond, en denk ik aan de troostende woorden van Rutger Kopland:

Niets bleef over van het oude

buiten, van tuinen, van gras

waar ooit iets gebeurd moet zijn.

Wil het ooit weer iets worden

dan zal ik het zo moeten opschrijven

dat ik niet meer hoef

te zoeken, maar kan huilen.

2 reacties

Opgeslagen onder Columns

2 Reacties op “Het verleden als onverwoestbare tweede thuis