Literair engagement 2.0

Deze tekst verscheen in  verscheen in nr 147 (december 2013) van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina

Men zegt dat in de literatuur niets moet. Dat literatuur een speelplaats is met een grillige plattegrond waarop de mooiste bouwwerken verrijzen wanneer de absolute vrijheid er meanderend haar weg kan zoeken. Men zegt dat aan literatuur geen eisen mogen worden gesteld, en dat voor de edele kunst der schrijverij slechts één wet geldt: alles mag; niets moet.

Wie dus de beroemde verzen uit Bertolt Brechts gedicht ‘An die nachgeborenen’ parafraseert en beweert dat ook in onze tijden, waarin kantelpunten en scharniermomenten ons om de oren vliegen, een gesprek over een boom haast een misdaad is, gaat in tegen de schier algemeen aanvaarde opvatting dat in literatuur hoegenaamd niets moet. Sinds de beroemde uitspraak van Brecht uit 1939 hebben velen zich nochtans achter zijn standpunt geschaard. Dichter bij vandaag (en bij huis) was er Ton Anbeek, die in 1981 opriep tot meer straatrumoer in de Nederlandse literatuur: volgens hem ontbraken engagement en reflectie over de actualiteit in Nederlandstalige romans, zeker wanneer hij die vergeleek met Amerikaanse. Meer dan twintig jaar later, in 2006, deelde Joost Zwagerman die kritiek in zijn Frans Kellendonklezing, met als titel ‘Tegen de literaire quarantaine’: “Vraag een jonge Nederlandse schrijver naar de invloed van de moord op Theo van Gogh op de letteren en hij zegt: geen, en dat is goed zo. Maar is dat wel zo goed? Nederlandse auteurs en critici zijn nog steeds benauwd voor de blik naar buiten. (…) In totaal worden er per jaar meer dan 200 titels ingezonden voor de AKO literatuurprijs. Uit die meer dan zeshonderd titels vallen [vier titels] te onderscheiden waarin de mores van het hedendaagse Nederland een voertuig voor de verbeelding zijn geweest. Dat is minder dan één procent.”

Zeven jaar later zal dat percentage niet bijster veel gestegen zijn, en dat terwijl mondiaal de bladeren aan zoveel bomen schudden dat geen weldenkend mens er doof voor kan blijven: de ruk naar rechts en de opmars van het nationalisme in Europa; het bankenbedrog en de financiële crisis; de bootvluchtelingen in Lampedusa; de bedreiging van de verlichtingswaarden door het moslimfundamentalisme; de vergrijzing; de klimaatverandering; de overbevissing, en, wat de literatuur zelf betreft, de steeds marginalere positie die ze in onze maatschappij krijgt toebedeeld.

Ik moet lang en diep nadenken vooraleer ik in de Nederlandstalige romanproductie van het voorbije jaar een boek kan vinden waarin een van bovenstaande thema’s meer dan zijdelings wordt behandeld. Wanneer we een aantal romans op een rijtje zetten die het in 2013 goed deden, zowel bij de literaire kritiek als bij het grotere publiek, gaat het eerder om werk waarin men naar het gekwetter van de vogels in de eigen achtertuin luistert, dan dat de blik op de horizon wordt gericht. Saskia De Coster had het in Wij en ik over een ontwrichte familie, gebaseerd op haar eigen verleden; Griet Op de Beeck verkocht meer dan 30.000 exemplaren van een boek waarin de personages vooral naar hun eigen getroebleerde navel staren, en Gouden Uil-winnaar Oek de Jong schreef met Pier en Oceaan volgens de Libris-jury een “coming of age roman waarin geen wereldschokkende gebeurtenissen plaatsvinden”. Een uitzondering is De omwegen van Jeroen Theunissen, waarin personages letterlijk de wijde wereld intrekken en thema’s als hedgefund-kapitalisme, biohacking, andersglobalisme en terrorisme voor flink wat straatrumoer zorgen. Ilja Leonard Pfeijffer voerde dan weer een Marokkaanse rozenverkoper en Senegalese bootvluchteling op in La Superba, een roman die zich in de Italiaanse havenstad Genua afspeelt en illustreert hoe emigratie onze wereld volop in beweging zet. Ook Tom Lanoye liet zich na een erg persoonlijk boek over zijn moeder van zijn geëngageerde kant zien met Gelukkige slaven, waarin hij het dolgedraaide kapitalisme op de korrel neemt.

Uiteraard is het moeilijk te bepalen waar de grenzen liggen van wat men wel of niet geëngageerd kan noemen, en is er met wat goede wil uit de boeken van De Coster, Op de Beeck, De Jong en Van der Heijden een scheut maatschappijkritiek te distilleren. Echter: bij geëngageerde literatuur denkt men toch veeleer aan romans als Max Havelaar van Multatuli en Daens van Louis Paul Boon, waarin naast doorgedreven betrokkenheid ook duidelijk een aanklacht wordt geformuleerd, wat mij een noodzakelijke voorwaarde lijkt om van waarlijk engagement te kunnen spreken.

Dus nee, geen Nederlandstalig auteur heeft het voorbije jaar een roman uitgebracht waarin het asielbeleid van minister Maggie De Block, de vluchtelingenstroom naar Europa als gevolg van de revoluties in de Arabische wereld of de Surinaamse amnestiewet belangrijke thema’s zijn. Dat brengt ons bij mijn centrale vraag: moeten we het, in navolging van Joost Zwagerman, erg vinden dat de buitenwereld in de Nederlandse literatuur minder hoorbaar is dan in bijvoorbeeld de Amerikaanse letteren?

Ik geloof van niet.

Ten eerste is het onzinnig om het erg te vinden: literatuur kan men niet in het keurslijf van een opvatting dringen, en Lanoyes intimistische Sprakeloos heeft literair evenveel waarde en bestaansrecht als Gelukkige slaven. Ten tweede moet men dat vermeende gebrek aan engagement relativeren of toch minstens in het juiste perspectief plaatsen: het is niet omdat uit Nederlandstalige romans weinig engagement spreekt, dat onze schrijvers niet geëngageerd zouden zijn.

Ik verklaar mij nader.

In tijden waarin het internet en dan vooral de sociale media een nieuw venster bieden waardoor miljarden mensen het wereldtoneel aanschouwen, hebben ook schrijvers dit podium ontdekt en gebruiken ze het om hun stem te laten weerklinken. Terwijl een auteur vroeger zijn engagement, als hij dat al wenste te uiten, voornamelijk kwijt moest via zijn romans of een opiniestuk of interview in de traditionele media, kan een auteur vandaag op zijn site, Facebook-pagina of Twitter-account zo vaak als hij dat wenst zijn bezorgdheid delen over maatschappelijke thema’s die hem bezighouden. Jeroen Olyslaegers bijvoorbeeld out zich zowel in zijn columns voor De Morgen als op zijn FB-pagina als een sterk geëngageerd auteur, die zich met zijn pen én met concrete actie verzet tegen de armoede in België, maar ook dagelijks een probleem als klimaatverandering aankaart. Saskia De Coster, Jeroen Theunissen, Stefan Hertmans, Maarten Inghels, Johan De Boose, de Marokkaanse Nederlanders Said El Haji en Abdelkader Benali: allen maken ze gebruik van het podium dat sociale media hen biedt om hun mening te formuleren over vergrijzing, eenzaamheid, massamedia, Vlaams-nationalisme, immigratie of racisme. Een auteur heeft vandaag meer identiteiten dan enkel degene die hij in zijn romans tot leven laat komen, dus weinig engagement in de literatuur betekent niet dat er geen geëngageerde schrijvers meer zijn. Zou het zelfs niet kunnen dat engagement dat misschien anders zijn plek zou vinden in de literatuur vandaag zijn weg zoekt naar de tribune van de sociale media, waar een veel groter publiek de stem van een auteur kan horen, en die met één muisklik kan delen? Misschien vinden auteurs dat podium ook geschikter voor hun engagement dan een roman, omdat er, wat mij betreft, waarheid schuilt in deze uitspraak van Vladimir Nabokov: “The violent, vulgar novel, the novelistic treatment of social or political problems, and, in general, novels consisting mainly of dialogue or social comment – these are absolutely banned from my bedside.” In geëngageerde romans wordt de inhoud inderdaad vaak voor het karretje van de boodschap gespannen, en ik vermoed dat veel auteurs zich daarvoor hoeden.

Zelf maak ik als schrijver al jaren gretig gebruik van blog en sociale media om de problemen in Iran, het land waarover ik mijn eerste boek schreef, onder de aandacht te brengen. Ik heb inmiddels ook twee romans geschreven waarbij ik vooral in Vurige tong mensen een geweten wilde schoppen, maar zelfs als ik een boek zou publiceren over de schoonheid van een herfstblad, zou ik mezelf een geëngageerd auteur blijven vinden, omdat ik zoveel mogelijk gelegenheden aangrijp om mijn lezers te wijzen op die maatschappelijke problemen die me nauw aan het hart liggen. In tijden waarin sociale media schrijvers de kans geven om hun identiteit niet louter via hun romans te modelleren en uit te dragen, is het feit dat ze zich engageren belangrijker dan hoe ze het doen.

Want uitermate belangrijk vind ik het wél: wie ten eerste over de gave van het woord beschikt en ten tweede over de vrijheid van meningsuiting waarnaar schrijvers in een land als Iran smachten, moet zich ervan bewust zijn dat hij niet de ogen kan sluiten voor problemen die dagelijks via zijn computerscherm de werkkamer binnensijpelen. Een schrijver die zich desondanks in zijn ivoren toren opsluit en zich niet wenst te mengen in het maatschappelijke debat, zal ik niet met alle zonden Israëls overladen, maar ik schat hem minder hoog in dan een schrijver die het wél doet. In Iran heb ik namelijk gezien hoe verstikkend de censuur werkt, en alleen al tegenover de vele schrijvers die voor hun woorden achter tralies zitten, hebben we in het vrije Westen de plicht om te spreken daar waar anderen noodgedwongen moeten zwijgen.

Shams Tabrizi, de leermeester van de wereldberoemde Perzische dichter Rumi, schreef in de 13de eeuw dit over de censuur die schrijvers in Iran werd opgelegd:

“We mogen niet praten,

En konden we maar luisteren!

We moeten alles zeggen!

En naar alles luisteren!

Maar onze oren zijn verzegeld

Onze lippen zijn verzegeld

Onze harten zijn verzegeld”

Tegen een verhaal over een neerdwarrelend blad verzet ik me niet, maar een schrijver die zijn oren openhoudt en vervolgens zijn lippen laat spreken, is zich veel scherper bewust van de macht van woorden, en is daarom als schrijver – en trouwens ook als mens – completer. Wat een dictatuur als Iran, waar de pen wordt gevreesd, ons tot slot leert, is dat het woord wel degelijk machtig is, wat prachtig wordt geïllustreerd met volgende passage uit een boek van de Perzische dichter Farid Ud-din Attar (13de eeuw). Op een dag vroeg een leerling aan zijn meester wat de kracht van wijze mannen is. “Hun welsprekendheid”, antwoordde de meester, “hun spraak!” Daarna liet de meester zijn leerling de voet van de berg zien, waar hij als een kluizenaar leefde. Hij sprak: “Wanneer een wijs man de berg gebiedt zich te verplaatsen, dan gebeurt dat.” Precies op dat moment begon de berg te bewegen. Meteen ging de meester tegen de berg tekeer: “Ik vroeg je niet om te bewegen! Ik wilde hem gewoon een voorbeeld geven!”

Als we realistisch zijn, dan weten we dat romans geen bergen zullen verzetten, maar woorden kunnen dat wel. Wie dus als schrijver het talent van de welsprekendheid heeft, mag gerust een gesprek over een boom houden, maar moet daarnaast wel de mogelijkheden aanwenden die onze tijd hem biedt om zijn stem over de toppen van de bergen te laten galmen.

Reacties staat uit voor Literair engagement 2.0

Opgeslagen onder Columns

Reacties zijn gesloten.