Mijn lofrede op het sociaal-cultureel volwassenenwerk

Naar aanleiding van de uitreiking van de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk 2011-2012 vroeg Socius vzw mij een lofrede op de sector te schrijven. De Prijs werd op donderdag 22 november uitgereikt in het Provinciehuis van Leuven, door minister van Cultuur, Natuur en Leefmilieu Joke Schauvliege. Winnaar was FairFin, dat vroeger Netwerk Vlaanderen heette, en 30 jaar geleden werd opgericht als een noodfonds voor sociale en ecologisch duurzame initiatieven die niet aan een lening of aan subsidiëring raakten. Na afloop van mijn rede was de interesse van minister Schauvliege in De seingever alvast gewekt, zoals ze meldde op Twitter.

Mijn laudatio kan u hieronder lezen.

Geachte mevrouw de Minister,

Dames en heren,

Ik neem u even mee, terug in de tijd. Het gebeurde op een woensdagavond in maart 2006 – een kille, duistere, mistige avond. Ik stapte in mijn vijftien jaar oude Opel Kadett om mijn moeder op te halen na een les bloemschikken, die werd georganiseerd door de KAV of Katholieke Arbeidersvrouwen – vandaag Femma, een organisatie waar mijn moeder al decennialang lid van is. Normaal zou mijn vader vrouw én bloemstuk veilig hebben thuisgebracht, maar dat kon helaas niet: hij was een week eerder met een levensbedreigende aandoening in het ziekenhuis opgenomen. Mijn moeder had nog geaarzeld: zou ze die avond wel gaan bloemschikken? We wisten dat het gevaar geweken was en alles met mijn vader weer goed zou komen, maar in de ogen van mijn moeder las ik schuldgevoel dat zij plezier zou beleven aan een avondje KAV, terwijl hij gekluisterd lag aan een ziekenhuisbed. Pas toen mijn vader had aangedrongen met de woorden ‘Ga maar, het zal je deugd doen’, had ze zich ingeschreven.

Die avond, toen mijn moeder en ik richting mijn roestige auto stapten, had ze een fleurig paasbloemstuk in de handen, en een glimlach op het gezicht. ‘’k Heb mij gejeund’, zei ze – West-Vlaams voor ‘ik heb mij geamuseerd’. Zes jaar later moet ik de KAV-dames die instonden voor de vrijwillige organisatie van de avond bedanken, omdat ze erin slaagden mijn moeder de zorgen van het moment te doen vergeten. Belangeloze inzet, een warme babbel, handen die bloemen vastnemen en een kop koffie of glas wijn erbij: meer is er soms niet nodig om een bezwaard hart te verlichten.

Geachte mevrouw de Minister, dames en heren, ik begon mijn toespraak met deze anekdote omdat ze op een eenvoudige manier duidelijk maakt wat sociaal-cultureel werk kan betekenen. Toen mij werd gevraagd op deze feestelijke dag het woord tot u te richten, moest ik mij, toegegeven, informeren vooraleer ik wist waarover ik precies moest praten. ‘Sociaal-cultureel werk’ leek me aanvankelijk zo’n abstract iets dat ik me afvroeg of ik er ooit wel op een directe manier mee in aanraking was gekomen. Absoluut, zo weet ik nu. Naast schrijfster ben ik ook journaliste met een specialisiatie in Iran, dus ik ken de mensen van Amnesty International, die onverdroten aandacht blijven vragen voor politiek gevangenen in onder meer Iran. Mijn ouders zijn vrijwilligers bij OKRA, een van de vele verenigingen binnen het sociaal-cultureel werk die activiteiteiten organiseren voor leden en andere geïnteresseerden. Toen ik de lijst doornam van de 124 sociaal-culturele organisaties die in Vlaanderen op erkenning en subsidiëring van de overheid mogen rekenen, stelde ik vast dat ik – jawel en gewis en zeker! –  jaarlijks een deel van mijn inkomen als arme schrijver aan de sector heb te danken, want vaak heb ik lezingen gegeven voor het Davidsfonds, en, als ketterse en door de kerk in de ban geslagen atheïst, uiteraard ook voor de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging.

Ik ben dus vereerd dat ik vandaag een pluim op de hoed mag spelden van maar liefst 185.000 vrijwilligers en 2.000 beroepskrachten in deze sector. Jaarlijks staan zij garant voor 300.000 activiteiten die mensen ontplooingskansen, ontspanning en klein of groot geluk brengen. Het zijn vooral de vrijwilligers die we moeten bewieroken, want zij zijn de mensen die een belangeloze maar o zo belangrijke rol op de achtergrond spelen – maar vandaag halen we ze met plezier naar de voorgrond. Ik weet wat vrijwilliger zijn anno 2012 betekent, en ik weet hoe onterecht onzichtbaar de vrijwilliger vaak is. Immers: het hoofdpersonage van mijn nieuwste boek is een vrijwilliger. De seingever gaat over een man die tijdens een wielerwedstrijd vrijwillig het verkeer in goede banen leidt, zodat alles veilig verloopt. Mijn boek is een roman, maar de man op wie de seingever is gebaseerd bestaat echt. Ik heb hem gevolgd tijdens een koers; hij heeft het verhaal van zijn leven aan mij toevertrouwd, en ik heb met eigen ogen gezien dat de vrijwilliger een sterk ras is dat in onze samenleving niettemin met uitsterven lijkt bedreigd. ‘Wij zijn de goedkope oude ventjes die het zware werk mogen doen’, zegt mijn seingever daarover met een knipoog in mijn boek, maar zo is het ook: voor twee pistolets, één met hesp en één met kaas, en voor een enveloppe met daarin tien euro staan deze mensen soms uren in regen en wind. Beslist was een van de redenen waarom ik een vertelling over een seingever wilde schrijven mijn ergernis dat het altijd de riant betaalde ‘helden’ van de koers zijn die in de kijker worden gezet. Ik vond dat het tijd werd de onzichtbaren van het wielrennerij een stem te geven. Ook zij hebben een verhaal dat ons iets leert over onze tijd; over wie wij waren, zijn en zullen worden.

Anno 2012 leven we, helaas, in een samenleving waaraan steeds minder mensen gratis en voor niets een steentje willen bijdragen. We kunnen daarover klagen en jammeren en uitroepen dat het vreselijke tijden zijn waarin het grote geld de wetten dicteert en belangeloze inzet zal verdwijnen. Maar dat, beste mensen, doen we beter niet. Klagen haalt ten eerste niets uit, en ten tweede geloof ik niet dat het allemaal zo erg gesteld is. Vrijwilligers zijn, om bij het thema van de dag aan te sluiten, meer dan ooit van kapitaal belang in een samenleving die wordt gedomineerd door winstmaximalisatie en geldbejag. Ik geloof ook dat het eigenlijke besef van het kapitale belang van sociaal-cultureel werk en de vrijwilliger zal toenemen, net omdat we in die samenleving waarin geld al te vaak een drijfveer is een kantelpunt hebben bereikt. Kijkt u maar eens goed om u heen. Of het nu gaat om indignados in Spanje of stakende, ontslagen werknemers van Ford Genk: steeds meer mensen geven steeds duidelijker signalen dat ze genoeg hebben van een wereld waarin geld alle spelregels bepaalt. Meer dan ooit in de geschiedenis van ons kapitalistisch samenlevingsmodel hebben mensen heimwee naar en nood aan een samenleving die ook een menselijk gezicht laat zien. U, vrijwilligers en professionals van het sociaal-cultureel werk, bent een prachtig deel van dat gezicht, en daarom zie ik uw toekomst rooskleurig in. In een wereld die steeds groter en daardoor ongrijpbaarder wordt, zie ik mensen steeds vaker teruggrijpen naar het kleinschalige. Ik verzin niets, maar kijk gewoon om me heen: vrouwen gaan weer samen aan het naaien en breien; mensen leren van Bartel Van Riet hoe ze een moestuin moeten aanleggen, en in mijn eigen stad zie ik in de zomer voorwaar opnieuw buurtfeestjes georganiseerd worden. Het lijkt wel nostalgie naar het warme, menselijke en bevattelijke leven, als tegengif voor het hectische leven waarin alles in een rotvaart verandert.

Of het nu gaat om verenigingen als de KAV/Femma van mijn moeder die via plaatselijke afdelingen activiteiten organiseren; om vormingsinstellingen en Vormingpluscentra die mensen de kans geven om zichzelf te ontplooien, of om sociaal-culturele bewegingen die werken aan sensibilisatie of maatschappelijke verandering: alle deelnemers en vrijwilligers creëren door hun engagement betrokkenheid en bewogenheid in onze samenleving. Dat is, ik herhaal, van kapitaal belang in een samenleving waarvan we in toenemende mate het gezicht te kil vinden. In tijden waarin we al te vaak op ons eentje zitten staren naar het scherm van onze computer of smartphone, zal meer dan ooit behoefte ontstaan aan contacten die niet virtueel, maar warm en betrokken zijn. Sociaal-cultureel werkers aller Vlaamse provinciën, verenigt u dus, en trekt u zich niets aan van onheilstijdingen dat er binnen vijftig jaar geen vrijwilligers meer willen zijn. De leuze van Socius is ‘laat mensen schitteren’ – daar slaagt u in, en daar zal u nog beter in slagen als u ook zelf blijft schitteren.

Tot slot wil ik het woord richten tot u, mevrouw de Minister. Ook in dit land moet er bespaard worden, maar ik hoop dat het sociaal-culturele werk daar voortaan gespaard mag van blijven. In heel Europa zoeken we met zijn allen naar een antwoord op de crisis, en veel mensen zijn bang voor wat komen zal. Sommige fundamenten van onze samenleving lijken op losse schroeven te staan, en ik denk dat investeren in sociaal kapitaal in deze context van kapitaal belang is. Want als het cement van het geld korrelig wordt, hebben we wel nog altijd elkaar; onze nieuwsgierigheid, onze inzet, onze empathie; onze menslievendheid. Een onderzoek van onder meer professor Elchardus heeft aangetoond dat mensen die vaak deelnemen aan het verenigingsleven een meer vertrouwend mensbeeld hebben. Ze zijn verdraagzamer, hebben minder uitgesproken antipolitieke houdingen en verlenen meer steun aan de vertegenwoordigende democratie. Wie vaak participeert, is socialer betrokken en democratisch meer ingeburgerd.

Ook in ons land wint de antipolitiek terrein, en dus hebben we nood aan zulke mensen. U, beste sociaal-cultureel werkers, draagt daar elk op uw manier toe bij. Of u nu in bibliotheken voorleest aan kinderen, natuurgids bent, weekends organiseert voor mensen met een verstandelijke beperking, u inzet om op een positieve manier over vegetarisch eten te communiceren of lesgeeft over duurzaam bouwen: u maakt allen het  verschil. Ik eindig met een citaat van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton, die het volgende zei: ‘Er zijn twee manieren om licht te verspreiden. Je kunt een kaars zijn, of de spiegel die haar licht weerkaatst’. Sociaal-cultureel werkers zie ik als kaarsen, die jaarlijks tienduizenden mensen de spiegel laten zijn waarin ze hun licht weerkaatsen.

Ik dank u.

© Ann De Craemer

1 reactie

Opgeslagen onder Nieuws

Een Reactie op “Mijn lofrede op het sociaal-cultureel volwassenenwerk

  1. ludo mertens

    ben blij met uw woorden die getuigen en een duidelijk beeld geven van ,noden en inzet. dank. Ludo Mertens, Sinaai