Tzwijn of nie tzwijn

Reportage in Zeno in De Morgen van vandaag.

Zwijnen. Biggen. Zeugen. Beren. Mijn neus snuffelt naar varkens. Het is zondag, het is eind augustus, en het is kermis in de hel. Plensbuien geselen het dak van mijn veertien jaar oude Nissan Almera. Ik ben op weg naar Dentergem, een potloodstip op de landkaart. De landwegen waarover ik rijd zijn mij vertrouwd: vaak heb ik hier gefietst, want mijn geboorte- en woonplek, ook al een stip, zij het aangebracht met ongescherpt potlood, bevindt zich vijftien kilometer verder. Niettemin kijk ik vandaag met andere ogen naar de omgeving. Door het openstaande raampje snuif ik de lucht op, speurend naar geuren die ik anders – o macht der gewenning – misschien niet meer opmerk. Straks wordt in Dentergem de blijde intrede verwacht van een gigantisch gouden varken, mascotte en symbool van ‘Wij Varkenland’, een groots opgezet sociaal-cultureel project van de Provincie West-Vlaanderen en kunstencentra De Werf (Brugge), Buda (Kortrijk) en Vrijstaat O. (Oostende). ‘De herinnering, het verlangen en het z(w)ijn’, luidt de ondertitel van het project, dat ‘een creatief onderzoek naar de identiteit in West-Vlaanderen’ voert. Tot eind oktober toeren theatermaker Lucas De Man (30) en filmregisseur Gilles Coulier (27), bezielers van ‘Wij Varkenland’, met een solovoorstelling en kortfilm langs acht West-Vlaamse gemeentes, waar het gouden varken deel zal uitmaken van een multimediale installatie, en inwoners en lokale verenigingen worden opgeroepen om samen ‘iets’ rond varkens en identiteit te doen. Als apotheose palmt de karavaan met de creaties van de verschillende gemeentes in november de steden Kortrijk, Oostende en Brugge in.

Ideale mascotte

Vier dagen eerder zijn Lucas en Gilles uit Nederland – tweede thuis van Lucas – vertrokken, om het varken langs Vlaamse wegen naar Meulebeke te sleuren, een van de plekken in de westelijke provincie waar meer varkens dan mensen wonen en waar een week later het startschot van het project zal worden gegeven. De intrede in Dentergem wordt als het hoogtepunt van de voettocht beschouwd, want door de Wontergemstraat loopt de precieze grens tussen Oost- en West-Vlaanderen.

Het is daar dat ik de twee kunstenaars en hun gouden varken opwacht. Lucas De Man sleept met vijf kompanen én met handschoenen het gevaarte voort. Zijn t-shirt, met als opschrift ‘Tzwijn of nie tzwijn’, is nat van het zweet. Hij antwoordt onverstoorbaar wanneer ik zeg dat zo te zien weinig mensen gehoor hebben gegeven aan de Facebook-oproep om het varken door Vlaanderen te loodsen. ‘Zeker wanneer er gewerkt moet worden, is het niet gemakkelijk om mensen samen te brengen. Maar dat is net een van de doelen van dit project. Het is een zoektocht naar identiteit, maar vooral willen we mensen uit hun huizen en op straat lokken. Daarvoor is het varken als mascotte ideaal: zowel kinderen als volwassen kijken op als ze zo’n vervaarlijk ding zien passeren. Kunst wordt te veel opgesloten in steriele zaaltjes waar de gewone mens niet komt. Daar zullen we de West-Vlaamse identiteit niet vinden.’

Identiteit: een begrip dat doorgaans net zo ongrijpbaar is als de wind die vol in het gezicht blaast van de puffende wielertoerist die ons pad kruist. Net wanneer ik Lucas wil vragen wat voor beest de West-Vlaamse identiteit dan wel mag zijn, naderen we, naast een maïsveld dat na een sliert identieke fermettes uit het niets opduikt, een bord waarop ‘Wontergem’ is doorstreept. Lucas juicht, trekt zijn handschoenen uit en applaudisseert. ‘We zijn in West-Vlaanderen! Het varken is thuis!’ Ik vraag Gilles, de stille helft van het duo, waarom hij Antwerpen onlangs achter zich heeft gelaten en naar Brugge is teruggekeerd. Hij praat bedachtzaam, aarzelend bijna, en zo luidt ook zijn antwoord. ‘Ik weet het niet echt. Het was een soort verlangen. Klinkt dat nu onnozel? Als jonge gast en kunstenaar is het niet hip om te zeggen dat je je roots mist. Maar zo was het wel. Ik móest gewoon terug.’ Herkenbaar: ook ik keerde na twee jaar Brussel naar mijn streek terug, en kan nog steeds niet goed uitleggen waarom. Lucas, als artistiek leider van de Stichting Nieuwe Helden al acht jaar inwoner van Amsterdam, is qua spring-in-het-veld-gehalte en extraversie intussen meer Nederlander dan West-Vlaming. Reden te meer, zegt hij, voor een zoektocht naar zijn West-Vlaamse identiteit. Ik onderbreek zijn woordenlawine met de vraag wat het gewone publiek dat hij wil bereiken onder ‘identiteit’ moet verstaan. Hij lacht. ‘I know, het is een begrip als een container: je kan er veel in smijten. Maar wij willen het begrip net uitdagen. Bestaat er iets als de West-Vlaamse identiteit? Nee, want iedereen is anders. Maar tegelijk wel, want mensen hebben in hun geest een perceptie van ‘de West-Vlaming’, en dan komen alle clichés naar boven: West-Vlamingen worden gezien als lomp, boertig en slecht ter taal, maar ook als harde werkers en intelligente mensen die vaak hoge posities bekleden. Het varken is de perfecte pars pro toto voor die clichés, want over dat dier bestaan dezelfde stereotypes: een zowel vies als intelligent beest. Veel kunstenaars zijn vandaag bezig met identiteit, wat niet vreemd is: de wereld wordt groter, en net daardoor vragen mensen zich vaker af wie ze zijn. Opvallend is dat daarbij steeds vaker naar het lokale en kleinschalige wordt teruggegrepen. Gilles en ik behoren tot een generatie die alles vrij mag kiezen. Shakespeare schreef: ‘All is nothing’ – en zo is het precies. We hebben zoveel keuze dat er keuzeverlamming optreedt, en dan volgt automatisch de vraag: wie of wat ben ik nog? Wel, ik ben, ondanks mijn Hollandse accent, nog steeds een West-Vlaming.’ Ik vraag hem wat dat concreet betekent, maar de omschrijving blijft vaag: hij voelt zich ‘nog altijd thuis’ in West-Vlaanderen. Maar misschien, bedenk ik, moet ik een deel van mijn identiteit als nuchtere West-Vlaamse – ‘doe maar gewoon, ge zijt al onnozel genoeg’ – afleggen en toegeven dat Lucas ten dele een antwoord gaf op de vraag welke kledingstukken je aan de grote kapstop identiteit kunt hangen: op zijn minst de plek waar je je na jaren afwezigheid nog thuis voelt.

Richting dorpskern van Dentergem wordt de omgeving landelijker. Indommelende koeien gaan moeizaam op hun poten staan wanneer het varken voorbij hun grasmat glijdt. Kwaaie honden grommen het dreigende beest toe. Een vrouw schuift haar gordijn opzij, maar verdwijnt zodra ik mijn fototoestel op haar richt. Teruggetrokkenheid: West-Vlaamse identiteit? Het varken dokkert vijf minuten later over de kasseien van de markt voorbij de enige kerk van Dentergem. Jezus hangt in een nis waarvan de plaaster zijn beste tijd heeft gehad, en het beeld van de gekruisigde zelf is niet langer wit maar smoezelig grijs. Net voor zijn voeten speelt de wind met een opengescheurde PMD-zak.

In het stadhuis heeft een afgevaardigde van provinciegouverneur Carl Decaluwé het over een participatief project. ‘We hoeven ons niet te schamen om varkens als symbool op te voeren, want ze brengen ons welvaart. Bovendien: veel West-Vlamingen zijn intelligent, en net als varkens echte wroeters.’ Ik voel me wat ongemakkelijk bij zoveel clichés en veralgemeningen op een hoop, zeker wanneer Tirolerharmonie De Alpenroos haar eerste deuntje inzet. West-Vlaamse identiteit, anyone?

Aangeklede varkens

Vijf dagen later. De ochtend waarop in Meulebeke het startschot wordt gegeven van ‘Wij Varkenland’ staart een biggetje mij op de voorpagina van de Krant van West-Vlaanderen lieflijk aan. Deze keer gaat het evenwel niet over kunst en cultuur maar over bittere realiteit: een exportslachthuis nabij varkenshoofdstad Wingene wil de slacht-en verwerkingsactiviteit uitbreiden, maar de buurt protesteert tegen de toenemende geur- en geluidsoverlast. Twee weken eerder las ik ook al een onheilspellend bericht voor de varkensboeren: om aan de Europese reglementering voor dierenwelzijn te voldoen, moeten ze tegen januari 2013 drachtige zeugen vrij laten bewegen in groepsverblijven, en niet langer in een box. Van de groep die de aanpassing nog niet had gemaakt, liet een derde tot de helft verstaan er volledig mee te willen kappen. Kleine, familiale bedrijfjes dreigen volgens de Boerenbond door de grotere te worden opgeslokt.

’s Avonds kijk ik in Meulebeke naar een stoet van verenigingen die elk een varken hebben aangekleed, om alzo het ‘rijke verenigingsleven’ van de gemeente te illustreren. Het heeft haast iets lachwekkend kitscherig: allen hebben ze het beest vastgebonden op houten balken die door vier mensen op de schouders worden gedragen – als heiligenbeelden in een middeleeuwse processie. Het varken van The Scubadivers draagt een duikbril. De Koninklijke Vinkenmaatschappij Niet Rijk maar Recht heeft op de rug van een zwijn een vink geposteerd. K.K. Turnclub Rap&Knap maakte van de rug van een blauwroze varken een brug met leggers op gelijke hoogte waarop een atleet zijn oefeningen doet.

Maar terwijl de zestig creaties voorbijtrekken, meen ik een kern van de West-Vlaamse identiteit anno 2012 te kunnen vatten: nostalgie. Ik zie mensen die blij zijn dat ze samen iets simpels als een varken hebben aangekleed; blij dat ze straks samen aan simpele houten tafels kunnen gaan zitten voor een reuzenbarbecue op de markt van hun gemeente. De aangekondigde activiteiten op de Facebookpagina van ‘Wij Varkenland’, waarbij mensen werd gevraagd hun identiteit uit te drukken, vertellen mij hetzelfde: hier en daar weliswaar een politiek debat, maar toch vooral wagenspelen, familienamiddagen op boerderijen en ouderwetse knutselnamiddagen. Terwijl de varkensdragers richting markt van Meulebeke schuifelen, proef ik de nostalgie naar een tijdperk dat zelfs in landelijke gemeentes van onze meest agrarische provincie goeddeels voorbij is: een tijd waarin mensen zich nog niet verscholen achter Facebookprofielen en er meer reëel dan virtueel contact was. Nostalgie dus als een kern van de West-Vlaamse identiteit, al blijft dat natuurlijk niet beperkt tot één provincie: ook elders lijkt nostalgie een grondsentiment van onze tijd. Vrouwen gaan weer samen aan het naaien en breien; mensen leren van Bartel Van Riet hoe ze een moestuin moeten aanleggen; Instagram doet oude fotoalbums herleven; jongeren pluggen telefoonhoorns in hun iPhones, en televisieprogramma’s geven het uitstervende beroep van boer een podium. Nostalgie naar the simple life als tegengif voor het hectische leven waarin alles in een rotvaart verandert. En misschien, denk ik terwijl ik de openluchtbarbecue gadesla, heeft die nostalgie in West-Vlaanderen nog een extra en actuelere component: het landelijke leven dat er langer dan elders heeft overleefd, dreigt er ook nu te verdwijnen. Ook in mijn provincie schuift de grens tussen stad en platteland steeds verder op, zoals in het Dentergem van vijf dagen eerder, waar ik maïsvelden zag die niet langer uitgestrekt zijn maar om de paar honderd meter worden onderbroken door nieuwbouwvilla’s in landelijk-rustieke stijl. Het grootste cliché over de West-Vlaamse identiteit was altijd dat het simpele boerkes zijn, en West-Vlamingen die daar vroeger liever niet mee werden geassocieerd, zijn er nu voorwaar trots op. Zo belaagd als het (West-Vlaamse) varken is door moderne Europese regelgeving en protesterende buren die geen stank tolereren; zo belaagd is ook het landelijke leven – het varken als, inderdaad, een pars pro toto van ‘onze’ identiteit.

Terwijl ik honderden mensen uit simpele plastic borden een simpel stukje varken aan ’t spit zie eten, denk ik aan verzen van Willem Wilmink als gedroomde soundtrack bij dit gebeuren:

Waar zijn de geuren die weleer
gehucht en stad en dorp ons bood,
de sterke, zwarte geur van teer,
de geur van versgebakken brood?

Waar zijn de geuren die weleer
vernomen werden op de boer:
de zeug, de biggen en de beer,
gekookte schillen: varkensvoer

Als een ware middeleeuwse volksspeler becommentarieert Lucas De Man even later met de nodige retorische overdrijving alle gepimpte varkens die de revue passeren en daarna elk hun plek krijgen in een constructie van houten kisten. Als slotsom van de processie wordt het grote gouden varken vanaf een kraan langs de kerktoren naar beneden gelaten, om te worden vastgehaakt aan een multimediale constructie waarin mensen hun herinneringen aan hun gemeente kunnen achterlaten, alsook hun verlangens voor de toekomst. Lucas komt glunderend naast me staan. ‘Je kan niet geloven hoe fier ik ben. Hier gaat het voor mij om: mijn voorstelling en de film van Gilles zijn het vertrekpunt, maar vooral willen we kunst aan het volkse koppelen. Ik heb in Zuid-Afrika gespeeld, in de openlucht, met als toeschouwers vrouwen die hun kippen meenamen uit angst dat die anders gestolen zouden worden. Voor mij moet kunst mensen samenbrengen – zeker vandaag.’ En weg is hij, want hij moet ‘fris in het kopke’ zijn om morgen voor een gezelschap van alleen maar varkensboeren zijn solo te brengen: een stuk over de zoon van een West-Vlaamse varkensboer die op zijn achttiende huis en haard verliet omdat hij niet hield van de ‘simpele boeren’, maar na twaalf jaar grootstad terugkeert wanneer zijn vader op sterven ligt.

 Blaasvoetbal

Om elf uur stap ik, op weg naar mijn Nissan Almera, het eerste café binnen dat ik tegenkom. Nadat ik mijn koffie heb besteld, zegt de vrouw tegenover mij hardop mijn naam. ‘Dat ben jij, toch?’ Ik antwoord aarzelend van ja. Glimlach om haar lippen: de cafébazin van De Spiegel blijkt een nicht van mijn moeder. Ze komt naast me zitten, op een neplederen bank tegen een muur waaraan een handgeschreven bedankbriefje van koning Boudewijn hangt ingekaderd, naast het reglement van biljartclub ‘Hoger Op’. Nicole wil me iets vertellen. Over varkens.‘Maar ge kent het verhaal vast al’, zegt ze. Ze noemt de voornaam van mijn grootvader, textielarbeider maar na zijn werkuren ook keuterboer. Op een dag was Nicole bij haar nonkel op bezoek toen hij zijn zeug slachtte. ‘We maakten van de blaas een voetbal’, lacht ze – hoofdschuddend, alsof het verhaal zich in een droom heeft afgespeeld, ‘en je moeder en haar broers en ikzelf speelden de hele middag met een zwijnenblaas. En leute dat we hadden.’ Daarna, de blik weer op ernstig: ‘Maar ja, dat is al lang geleden. Wie speelt er vandaag nog met een varkensblaas?’ Ze vertelt en blijft vertellen over vroeger, en wanneer ik de nacht instap, ben ik verbaasd dat een groot gouden varken waar ik eerst sceptisch tegenover stond erin slaagde mij te doen terugdenken aan vroeger, en mij iets meer leerde over thuis, en dus ja, welaan dan, over mijn West-Vlaamse identiteit.

2 reacties

Opgeslagen onder Nieuws

2 Reacties op “Tzwijn of nie tzwijn

  1. dedeyster gerard

    Ook bij ons thuis slachten we jaarlijks 2 varkens we waren met een groot gezin, dan was het feest,als het varken gebrand was met stro kregen we dan een stuk van het oor of de staart, voor ons als kinderen was dat ieder jaar een hele belevenis waar we telkens naar uitkeken.

  2. ludo mertens

    Ook Oostvlaamse hebben dezelfde identiteit en zelfs stadsmensen in antwerpen. Waar is in een kort verleden dat de geur in de achtertuin was van gewone mensen die jaarlijks een varken opzetten. En dat zelf slachtte met de houten hamer en ze hingen dat op laddr om uit te bloeden.