Column ‘De Morgen’: ‘Maar kind, ze is niet dood’

Nare dromen zijn als slapende vulkanen. Zoals de bewoners aan de voet daarvan er zelden aan denken dat die eeuwige heersers hen op een dag uit hun slaap kunnen houden, zo beseft de mens die geplaagd wordt door een terugkerende nachtmerrie dat die ergens nog wel sluimert in zijn geest, maar dan hopelijk in een kelder van zijn geheugen die zo is ingebetonneerd dat de kans dat de droom zich opnieuw naar buiten wurmt verwaarloosbaar is. Zoals een hoopje magma echter de druk in de vulkaan danig kan verhogen dat het nergens meer naartoe kan, zo heeft ook een kleine genster de kracht om een eerste bres te slaan in het beton, en wat lang gesluimerd heeft met volle kracht naar boven te stuwen.

De genster die in mijn hoofd opnieuw die ene nare droom wakker maakte, is de laatste fase van mijn nieuwe boek waarmee ik bezig ben. Voor de derde keer werk ik iets af wat me bijna een jaar heeft opgeslorpt, en voor de derde keer krijg ik bezoek van dezelfde nachtmerrie.

In mijn droom is het vandaag. De telefoon rinkelt. Stilte. Dan, de stem van een oude vrouw: ‘Het is Germaineke. De buur van uw mémé. Uw grootmoeder vraagt elke dag wanneer je nog een keer komt, en waarom je al zo lang niet meer geweest bent.’ Ik schrik: ‘Germaineke, mémé is bijna twintig jaar dood, hoe kan ik dan komen?’ Een zucht. ‘Maar kind, ze is niet dood, ze zit al zo lang op u te wachten.’ Ik ren naar Residentie Adagio, spurt de trappen omhoog naar de eerste verdieping, en gooi de deur van mijn grootmoeders flatje open. En daar zit ze, in haar bebloemde zetel, alsof ze die nooit heeft verlaten. Ze kijkt me aan en glimlacht: ‘Meiske, ge zijt daar, ik dacht dat je nooit meer zou komen, ga zitten, de chauffage is al goed warm.’ In mijn droom huil ik, want twintig jaar heb ik haar in de steek gelaten.

Vooral op momenten waarbij ik tijdens het schrijven diep in mijn geheugen graaf, keert deze droom in steeds dezelfde vorm terug. Toen mijn grootmoeder nog leefde, ging ik elke dag bij haar langs. Omdat ze niet goed meer hoorde, zat ik altijd op mijn vaste plek op de centrale verwarming naast haar zetel, zodat ik gemakkelijk kon vooroverbuigen en zij mij beter zou verstaan.

Met schuldgevoel heeft mijn nachtmerrie niets te maken: meer kon ik haar niet bezoeken. Maar misschien, dacht ik de voorbije week, is er die droom omdat mémé de eerste persoon was aan wie ik mijn verhalen vertelde. Ik beschreef voor haar wat ik buiten zag, en soms voegde ik een scheut fantasie toe aan de werkelijkheid, om die voor haar mooier te maken. Misschien ren ik nu in mijn droom naar haar toe, om daarna wakker te schrikken en haar in gedachten te zeggen wat in mijn slaap niet kon: Mémé, mijn nieuwe verhaal is bijna klaar, luister, je zal zo trots zijn, je bent de eerste aan wie ik het vertel.

Deze column verscheen in De Morgen van 23 april

4 reacties

Opgeslagen onder Columns

4 Reacties op “Column ‘De Morgen’: ‘Maar kind, ze is niet dood’

  1. Jan Vanthomme

    Hier staat geen woord teveel in ! Mooi!

  2. Marc

    Gevoelens zijn zo moeilijk te beschrijven, en daar slaag je wonderwel in. Je mémé leeft verder in je boeken. En het volgende, kijk daar reikhalzend naar uit!

  3. Ilse Verboven

    Zo mooi geschreven, zo ontroerend beschreven dat ik wel aan mijn eigen terugkerende dromen en mijn omaatje moet denken. Dank je Ann.