Column ‘De Morgen’: Eeuwige vormen

Zondag. Het huis van mijn ouders, net na de middag. De tuinstoelen staan op het terras, maar ik zit in de kiezels van het grindpad dat langs het grasperk loopt. Mijn hand voelt de warmte van de steentjes: behaaglijk, langverwacht, vervullend – een gevoel waaraan te weinig adjectieven de juiste invulling kunnen geven. Maar ook: melancholisch, want een kind nog was ik toen ik net dezelfde hand op net dezelfde steentjes legde. Later, toen ik dacht groot te zijn, zei ik mijn vader dat hij die lelijke dingen moest weghalen en vervangen door een pad in klinkerstenen, want dat zag er chiquer uit dan wat we in ons dialect gravé noemden. Vandaag, nu ik gelukkig nog steeds niet groot ben, ben ik blij dat mijn vader toen lachend zijn schouders ophaalde en antwoordde dat niet alles altijd hoeft te veranderen. Daardoor zijn er nog steeds de steentjes, met elk hun eigen grillige, eeuwige vorm, die me kunnen terugbrengen naar vroeger. Ik moet zeven geweest zijn toen ik op dezelfde plek zat, naast de cementen regenwaterput waarop honderden rode spinten heen en weer kropen wanneer de zon genoeg warmte gaf. Met mijn zus keek ik naar het gekrioel, en samen duwden we om ter meest beestjes dood. Mijn vader had ons verteld dat die minuscule insecten schadelijk waren, dus wij hielpen hem, maar vooral vonden we de kleurstof die dan op onze duimen achterbleef zo betoverend. In lente en zomer was de vierkante meter naast de setèrne mijn vaste plek na school, en wat verderop hoorde ik in de keuken mijn moeder bezig. Even later kwam ze naar buiten met een dessertbord waarop voor mij en mijn zus een Zebra-cakeje lag. Ik nam het uit het gekartelde witte vormpje, en hoewel het niet mocht van mijn moeder, schraapte ik met mijn tanden de kruimeltjes weg die nog aan het papier kleefden, als een voorproevertje voor het echte festijn.

Vierentwintig jaar later hoor ik het vertrouwde geluid van bestek door de keukendeur naar buiten waaien en stapt mijn moeder op net dezelfde manier op me af. De handen waarmee ze het bord zelfgemaakte tiramisu aanreikt zijn dezelfde maar toch anders, want de reuma die ook mijn grootmoeder plaagde heeft haar vingers minder slank gemaakt, en ik ontwaar een beeld van mezelf als ik hopelijk nog niet helemaal groot zal zijn. Er zijn geen rode spinten om te vermorzelen, want die beestjes zie ik nog maar zelden, maar nog steeds buigt mijn vader voorover om met de grote bruine gieter water uit de regenput te halen, en dat over te gieten in de kleine groene gieter. Terwijl ik de tiramisu proef, weet ik dat mijn vader gelijk had toen hij zei dat niet alles altijd hoeft te veranderen. Dat het goed is dat er steentjes zijn die nog steeds de vorm van je hand kennen; er een moeder is wier ogen nog altijd glimmen als ze haar dochters kan doen genieten, en een lente die elk jaar terugkeert en je gelukkig maakt.

Deze column verscheen op 26 maart in de cultuurbijlage ‘M’ van De Morgen.


1 reactie

Opgeslagen onder Columns

Een Reactie op “Column ‘De Morgen’: Eeuwige vormen

  1. Marc

    Niets schattiger dan opgewekte (grote) kinderen, spontaan en met een grenzeloze fantasie. Een vertederende column.