Column ‘De Morgen’: Radicaal normaal

Eindejaarslijstjes: er is geen ontsnappen aan. In de literaire wereld wordt dan vooral recensenten naar een top drie van boeken gevraagd die hen het meest zijn bijgebleven – maar laten we de rollen eens omkeren. Als recensenten punten mogen uitdelen aan auteurs, dan mag het ook vice versa. Omdat schrijvers het vaak al hard genoeg te verduren krijgen van critici, wil ik graag – en ik weet dat ik uit naam van een aantal collega-auteurs spreek – een prijs uitdelen aan de ergerlijkste recensie van het afgelopen jaar: ‘Doe toch eens niet normaal, man!’ van Hans Demeyer, over de bloemlezingen 20 onder 40 en 20 onder 35. De recensie verscheen begin november op het ‘Vlaams-Nederlandse platform voor literaire kritiek’ De Reactor, dat boeken recenseert die in de reguliere media weinig aandacht krijgen. Dat is op zich lovenswaardig, maar helaas zijn de teksten meestal in zulke kunstmatig ingewikkelde zinnen geschreven dat alle zin om verder te lezen mij vergaat. Maar ik ben slechts een normale mens, waarover straks meer.

De recensie van de twee bloemlezingen, die verhalen bundelen van de beste jonge schrijvers, hekelt ‘het gebrek aan poëticaal bewustzijn bij zowel de samenstellers als de auteurs’. Ik schreef zelf een kortverhaal voor 20 onder 40, en viel van mijn stoel toen ik een hele generatie schrijvers als ‘fout’ zag worden weggezet omdat de bloemlezingen volgens Demeyer vol ‘normale verhalen’ staan. Hou u vast, o gij normale lezer der doodnormale letterenbijlagen waar De Reactor graag de neus voor ophaalt: ‘Veeleer lijkt het te gaan om de onbewuste reproductie van de heersende ideologie. (…) “Doe toch normaal, man” – in deze slagzin valt zo’n ideologie samen te vatten. Meestal gaat het om anekdotes met een kop en een staart, waarbij op het einde de normaliteit wordt bevestigd.’

Oh, mijn god, normaliteit! Dat mag niet, want normale mensen en dingen zijn eng! ‘Dit alles is mijn ogen ethisch problematisch,’ gaat de recensent verder, ‘niet in het minst omdat het zo onbewust gebeurt, zo normaal is om op die manier te schrijven of lezen: de wereld zoals die is lijkt op die manier nog lang zo te mogen blijven’ (wat een abnormaal slechte zin, trouwens). Demeyer wil verhalen die ‘een ethische attitude versterken die gedefinieerd wordt door esthetische sensibiliteit’. Ik weet niet wat hij bedoelt, maar ik ben uiteraard slechts een normale schrijver.

Dat literatuur ondergravend of ‘abnormaal’ moet zijn, is een ouderwetse opvatting waarvan ik niet dacht dat ‘ruimdenkende’ critici of literatoren die nog konden aanhangen. Eindejaarslijstjes van zowel ‘normale’ recensenten als ‘normale’ lezers bevestigen dat ‘normale’ (wat wordt hier trouwens bedoeld?) verhalen nog steeds erg gesmaakt worden, maar literatuur die een groot publiek bereikt, heeft voor sommigen een onfris geurtje.

In 2012 doe ik lekker normaal, man, en zal ik een lekker normaal boek schrijven voor waarschijnlijk vooral lekker normale mensen. Wie vermeende abnormaliteit wil, verpakt in pseudo-intellectuele zinnen overgoten met een sausje van zelfbevlekking, kan terecht op www.dereactor.org. Ik wens u een radicaal normale jaarovergang, eentje waarover ik later een lekker normaal verhaal kan schrijven met heerlijke kop en spetterende staart.

 

6 reacties

Opgeslagen onder Columns

6 Reacties op “Column ‘De Morgen’: Radicaal normaal

  1. Beste Hans,

    Maak het dan even concreet. Wat is een voorbeeld van een verhaal dat jij wel goed vindt? Een verhaal dat niet ‘gewoon normaal’ is? Nederlandstalige of buitenlandse literatuur – om het even.

    Ann

    • Hans Demeyer

      Neem ‘Winter in Antwerpen’ van Christophe van Gerrewey in 20 onder 40. In dat verhaal wordt de melancholie om een verbroken liefdesrelatie niet letterlijk op ons bord gesmeten, maar invoelbaar gemaakt door enkele motieven (zoals de uitstervende diersoort of het huisdier waarmee de vertrouwensband weg is). Het verhaal blijft niet beperkt tot het thema van de liefde, maar brengt het verlies van die waarde in verband met een maatschappij waarin alles van waarde en alles dat het leven serieus neemt door ‘complex te zijn’ moet inboeten. Dit wordt concreet gemaakt in de boeken die het hoofdpersonage telkens meesleurt van Brussel naar Antwerpen om ze daar te verkopen. Wanneer hij op het einde van de roman het waardevolle exemplaar van Het jaar van de kreeft (eerste druk, met opschrift van Claus aan Kitty Courbois) in de rekken van de oxfam bookshop moffelt, wordt op een indirecte manier duidelijk gemaakt hoe ook zijn verhouding tot die vroegere relatie en hun ontmoetingen in Antwerpen aan waarde hebben verloren. Tevens lijkt het een afscheid te zijn van het boek als talisman, als gids, als vervanger van affectie. Er lijkt zich een nieuwe weg voor het hoofdpersonage te openen. Als dat werkelijk zo is, blijft open. Maar op die manier sluit het verhaal op verschillende manieren aan op zijn motto: ‘The trouble with life is you don’t really know if this is a downward process. The trouble with life is you don’t really know what’s going on at all’ (Ph Roth).
      Dit vind ik een sterk verhaal omwille van de emotionele rijkdom, de kundige manier waarop de motieven worden ingezet in de verschillende betekenislagen, en hoe die zich met elkaar verbinden, de vermenging van het persoonlijke (gebroken liefde) met het gemeenschappelijke (maatschappelijke waardeverloedering). Ook zijn er naar alle waarschijnlijkheid intertekstuele verwijzingen naar Gilliams’ ‘Winter te Antwerpen’ (een verhaal dat ik nog niet gelezen heb). Maar ook zonder die wetenschap, krijg ik van dit verhaal het gevoel dat het bij elke herlezing rijker wordt. Dat was alvast bij deze herlezing het geval.

  2. Nog dit: ‘een meer open structuur waarin de wereld en gevoelens complex mogen zijn, waarin er plaats is voor dynamiek en onbeslistheid’ – dat vind ik bijvoorbeeld terug in het verhaal van Annelies Verbeke. En u mag het verhaal best niets vinden, maar in mijn eigen verhaal is het gevoel van nonkel Wilfried ook ‘complex’ of ‘niet eenduidig’. Maar misschien hebben we een andere opvatting van ‘complex’.

  3. Beste Hans,

    Dank voor je reactie.

    Ik sluit helemaal geen discussie uit. Ik vind net dat u diversiteit en discussie uitsloot door met het opgeheven vingertje te roepen dat “wij” toch eens “niet normaal” moeten doen. Als recensent mag u een mening hebben, en boeken afraden of aanraden; maken of kraken, maar het is niet uw bevoegdheid te zeggen hoe de hedendaagse Nederlandstalige literatuur er zou moeten uitzien (die bevoegdheid hoort niemand toe) door een hele reeks verhalen te catalogiseren onder de noemer ‘normaal’, een begrip dat u trouwens nergens nooit duidelijk uitlegt, kadert, of aflijnt – ik heb ook Germaanse aan de UGent gestudeerd, en daar toch geleerd dat de semantiek van dergelijke begrippen van belang is. U geeft wel eventjes aan wat ‘niet normaal’ is, maar dat is van een heel grote vaagheid. Het is vooral uw ‘imperatief’ die mij stoorde: “DOE TOCH EENS NIET NORMAAL”. Een verwijzing naar Wilders en Rutte, maar het gros van de verhalen in twee bloemlezingen beschrijven als “normaal”, is net zo simplificerend als de Henk en Ingrid van de heer Wilders.

    Mijn literatuuropvatting? Ik heb sinds de universiteit dat dure woord opgeborgen. Ik wil een goed verhaal lezen. Is dat een literatuuropvatting? Ik wil een verhaal dat me bij de strot grijpt, ontroert, dat blijft hangen. Dat kan op de eerder ontwrichtende manier van Saramago gebeuren, of op de klassiekere manier van Roth.

    Mag ik er u ook nog op wijzen dat ik in mijn column plaats heb voor welgeteld 500 woorden, en dus niet, zoals Jeroen en Thomas, erg diep kan ingaan op de zaken. Dat is nu eenmaal het genre van de column: er wordt een aantal dingen scherp verwoord, en in het beste geval leidt een column ook tot debat. Dat is nu het geval, en daar ben ik oprecht blij mee.

    Ik vind het, om samen te vatten, jammer dat u het merendeel van de verhalen in een “te normaal”-hokje hebt geduwd; dat mag uw persoonlijke opvatting zijn, daar heeft u gelijk in, maar als recensent bepaalt u ook mee het gezicht van de literatuur, en uw toon is moralistisch – net wat u “onze” verhalen verwijt. Ik vind niet dat er morele lesjes moeten worden gegeven in de vrije speeltuin van de literatuur.

    Trouwens: ik hou echt niet van woorden als “transparant communicatiemiddel”; ik weet uiteraard wat u bedoelt, ik ken de termen uit de literatuurwetenschap, maar ik spreek graag klare taal. Normale taal. ;-)

    Van harte,

    Ann

    • Hans Demeyer

      Beste Ann,

      Dat ik ‘normaal’ niet of nauwelijks definieer, daarin heeft u volkomen gelijk. Het lijkt me echter dat het ook niet positief te definiëren is, maar enkel negatief. Ik bedoel dat het onduidelijk is wat normaal precies inhoudt, maar dat het heel duidelijk is wat het niet inhoudt. In een politieke context kan ik mij met de beste wil niets voorstellen bij een ‘normale’ Vlaming, maar ik weet wel dat het geen allochtoon is (die al dan niet het Nederlands machtig is), geen multiculti is, geen linkse kerkganger enzovoort.
      Iets gelijkaardigs zie ik in uw reactie. U zegt het met een knipoog, maar als u zegt dat u normale taal wil, reiken de implicaties misschien verder dan u op het eerste gezicht zou denken. Wat is normale taal? Klare taal, oké, maar wat houdt dit dan weer in? Het lijkt vooral geen dure woorden in te houden, geen ‘complexe’ verwoordingen. Ook literatuuropvatting gebruik je beter niet. Ik overdrijf misschien, maar ik denk niet dat u mij meteen zou tegenspreken als ik je woorden even aanvul en zeg dat u ‘gewoon’ (variant van ‘normaal’) een ontroerend, of gewoon een goed verhaal wil lezen. Dat ik ‘normaal’ dus niet zo goed kan definiëren, is dus eerder intrinsiek verbonden aan het gebruik ervan, dan dat het mijn onwil zou zijn.
      Daarbij heb ik, denk ik, wel voldoende duidelijk gemaakt wat ik dan als een ‘normaal’ verhaal beschouw, en heb ik hierbij wel gepoogd het positief te definiëren. Misschien dat we daarbij inderdaad een verschillende opvatting van complex hebben. Voor mij kan die nonkel Wilfried onmogelijk complex zijn omdat hij gewoonweg enorm weinig aan bod komt. Zijn motieven zijn misschien onduidelijk, of raadselachtig, maar dat lijkt me nog iets anders dan complex.

      De titel van mijn stuk hoeft in feite niet opgevat te worden als een eis, maar als een verzuchting van een vermoeide lezer na het zoveelste gelijkaardige verhaal. Dat ik dat te weinig expliciteer, en hierbij te weinig rekening heb gehouden met de begripsverwarring, is mij ondertussen wel duidelijk. Nogmaals: ik wil geen norm opleggen, wel wou ik duidelijk maken dat wat in deze bloemlezingen als variatie wordt verkocht er GEEN is, en dat er met andere woorden onder de noemer van variatie toch een ongeschreven norm wordt opgelegd of naar voren wordt geschoven als zijnde de ‘beste’ en ‘origineelste’ nieuwe literatuur. De literatuur kent vele huizen, maar in die bloemlezingen zie ik er nog geen drie.

      En met permissie, ik vind niet dat u kunt zeggen dat uw column de zaken scherpt stelt. Eerder worden mijn argumenten en beweringen verduisterd door de lezer anti-intellectuele retoriek in de ogen te wrijven. Ik schrijf vaak recensies van 450 woorden voor De leeswolf (de woordenlimiet is mij dus bekend) en daarin kun je volgens mij met wat schaaf- en schuifwerk best wel een of twee argumenten opbouwen over een boek (of over de kritiek op een boek).

      Tot slot: als de literatuur verscheiden mag zijn, dan mag (moet?) ook de beoordeling ervan dat ook zijn.

      hartelijks,
      Hans

  4. Hans Demeyer

    Jammer dat u met deze reactie meteen elke discussie over literatuur uitsluit. In plaats van op sommige van mijn argumenten in te gaan (zoals Thomas Blondeau en Jeroen Theunissen wel deden), doet u niets anders dan mijn schrijven en mijn persoon als ‘pseudo-intellectueel’, ‘kunstmatig’, ‘eng-denkend’, en ‘duister’ af te schilderen. Zo maakt u mij, en vooral mijn tekst onschadelijk en hoeft er over literatuur (en welke opvattingen u daarover huldigt) verder geen woord gerept te worden. ‘Ah nee, want die Hans Demeyer, wat een omhoog geblazen figuur, daar ga ik geen conversatie mee aan’. Als elitair betekent dat je zonder argumenten iemand afwimpelt, en als minderwaardig beschouwt, dan is uw column er een mooi voorbeeld van.

    Daarbij is het absoluut niet waar dat ik nergens zou expliciteren wat ik met ‘normale’ verhalen bedoel. Het gaat om verhalen die de huis-tuin-keuken-sfeer niet verlaten, die naar een moralistisch einde toewerken, die de taal als transparant communicatiemiddel hanteren, die veelvuldig gebruik maken van clichés en eenduidige sentimenten. Geen enkele van de genoemde aspecten vind ik per definitie slecht, maar wanneer die alle in één verhaal samenkomen, stoort mij dat.

    Waarom? Omwille van mijn literatuuropvatting natuurlijk, die ik aan het einde van het stuk samenvat als literatuur met ‘een meer open structuur waarin de wereld en gevoelens complex mogen zijn, waarin er plaats is voor dynamiek en onbeslistheid, voor een bewerking van de taal, voor vormbewustzijn, voor een eigen toon en verbeelding.’ Anders gezegd: een literatuur die niet enkel ‘leuk’ of ‘mooi’ is alsof het een tafelkleed betreft, maar een literatuur die, om met Hafid Bouazza te spreken (een schrijver die veel verkoopt en die ik goed vind – ik zou echt niet weten waar u gelezen heeft dat ik goedverkopende auteurs slecht zou vinden (verkoopcijfers hebben nu eenmaal geen literatuuropvatting)) ‘moeilijk plezier’ brengt. Ook draag ik een literatuuropvatting uit waarin literatuur meer mag zijn dan verstrooiing en gemakkelijke ontspanning. Literatuur mag tegenstrijdige ideeën en verschillende gezichtspunten bevatten zodat ze ons zowel vrijheid en individualiteit biedt als de mogelijkheid om ons beter te verhouden tot de wereld en de anderen. Veel van de verhalen in de twee bloemlezingen deden dat voor mij niet.

    Het is trouwens niet mijn bedoeling om mijn literatuuropvatting als een norm op te leggen. Ook wil ik niet beweren dat iedereen die graag verstrooiend en louter ontspannend leest een absolute idioot is. Nee, allesbehalve zelfs. Maar waarom reageer ik dan zo fel op die bloemlezingen? Omdat het hele opzet van de bloemlezing variatie en persoonlijke stemmen belooft. Toch vind ik niet in twee of drie verhalen die ‘normale’ aspecten terug, maar in de overgrote meerderheid. Met andere woorden: de zogenaamde variatie blijkt eenvormigheid te zijn, de verschillende stemmen klinken allemaal gelijkaardig. Toen heb ik voor mezelf proberen te begrijpen hoe dit komt. En omdat ik ervan uitga dat elke poëtica tevens een ideologie veronderstelt, vond ik een antwoord in de heersende tendens die mensen zegt ‘normaal’ te doen of te zijn. Zie bijvoorbeeld: https://politieketaal.wordpress.com/2011/10/03/knecht/

    Ik hoop dat u hierop alsnog wil antwoorden met een literaire stellingname. Wat is bijvoorbeeld uw literatuuropvatting? Wat moet en vermag literatuur voor u? Hoe ziet u de relatie tussen de literatuur en de maatschappij? Misschien kan op die manier een discussie over literatuur ontstaan. Iets waartoe u overigens zou moeten bijdragen met uw column in plaats van die te gebruiken voor goedkope zwartmakerij.

    hartelijke groet,
    HD.