Open brief Johan de Boose over mijn poëziecolumn

Op mijn column van vorige woensdag, ‘Echte dichters huilen niet’, kreeg ik flink wat reactie. Omdat de poëzie mij, voor alle duidelijkheid, zeer dierbaar is, vind ik debat daarover belangrijk, en publiceer ik hier de ‘open brief’ die collega Johan De Boose, auteur van het schitterende Bloedgetuigen, op mijn Facebook-pagina postte. Alle reacties altijd welkom.

Ann,

Heb je column gelezen in De Morgen. Verbaasd en later verontwaardigd. Twee vragen stel ik je: 1) Tot wie richt je je? 2) Wat wil je bereiken? De antwoorden op deze vragen zijn afschuwelijk: je richt je tot mensen die sowieso al weinig of niks met poëzie hebben en je bereikt ermee dat ze zeggen: zie je wel, flauwekul, geldverspilling, voer voor nerds. Hoe kun je nou de onvermoeibare inspanningen van Koen Stassijns beschouwen als zinloos? Alleen maar omdat hij de boekhandel oproept om méér te doen voor de poëzie? Je ontkent dat er meer poëzie gekocht zou worden als ze meer voorhanden was. Wat een klinkklare nonsens. Wat kopen de meeste mensen namelijk? Wat op de eerste tafels ligt: de bestsellers. Wat er niet is, kan niet verkocht worden. Wat niet aangeboden wordt, kan nooit geapprecieerd worden. Ik heb een bloedhekel aan het neoliberale marktdenken dat ons langzaam allemaal wurgt: naast de vraag die het aanbod bepaalt, is er een namelijk een andere wet: dat het aanbod de vraag kan stimuleren. Ik ben er heilig van overtuigd dat wanneer de boekhandel de poëzie een prominentere plaats zou geven, er ook meer verkocht zou worden. Als men niet weet dat het bestaat, of wat er bestaat, kan men het ook niet leren kennen. De boekhandel moet hierin een sturende werking hebben. Net zoals ze het ene kookboek een mooiere vitrineplaats geven dan het andere. Platte commercie. Helaas – maar zo is het. Leve Koen Stassijns. Hij steekt tenminste een hart onder de riem. Jij wurgt het hart. 

Verder: Van Bastelaere, een poëziejuwelierke? ‘:o’! Lieve collega, heb jij wel eens de moeite genomen om een bundel van DvB te lezen, of om naar een lezing van DvB te luisteren? Duidelijk niet, want dan zou je weten dat hij een van de meest begenadigde Nederlandstalige dichters is, recalcitrant zoals het hoort, bijzonder erudiet, en tja, daar kun je ook niet van houden, maar zeggen dat hij de poëzie in de weg staat, is je reinste geschiedvervalsing; integendeel: hij wijst juist in een richting, die waarschijnlijk het dichtst de oude lyrische ader benadert die vanuit de oudheid naar ons toekomt en die zich in de richting van de toekomst begeeft. Zijn poëzie is bovendien per definitie een interdisciplinaire kunst: ze raakt met een bijna promiscu genot aan de grenzen van de literatuur; je krijgt altijd te maken met beeldende kunst, film, muziek. Zo’n houding kun je toch alleen maar toejuichen, niet? Is het grote publiek daarin niet geïnteresseerd? Reden te meer om in DvB geïnteresseerd te zijn. En om zijn boeken op een mooi zichtbare plaats in de boekhandel te zetten. Jawel, naast Koen Stassijns, die een totaal ander soort poëzie schrijft, maar we leven – dacht ik, al twijfel ik er steeds meer aan – in een democratie. 

Mijn dochter van zestien (won 2 poëziewedstrijden met eerder cerebrale gedichten) zei na het lezen van je column: hiermee bereik je het verkeerde doel. Zij heeft gelijk: als poëzie al in het verdomhoekje zit, stop jij het in het riool. Had je kopij tekort, collega, hou dan op met die literair-overdraagbare-aandoening die heet: ik wil mijn eigen column. En dan nog in de krant waar ooit ene Herman de Coninck voor werkte. Van controverse gesproken. De Coninck – nooit mijn beste maat geweest, het is maar dat je het weet – was wel graag in discussie met jou gegaan. Een gladiatorenstrijd, die jij niet kon winnen, want je argumenten zijn gebouwd op zand. 

Dit bijvoorbeeld: poëzie is helaas niet meer van deze tijd. Ik geloof in het tegengestelde: poëzie is de basis van alle literatuur en zal op die manier ook alle literatuur overleven. Proza als hoger leesvoer is van vrij recente datum (wel iets eerder dan jij doet uitschijnen), maar poëzie was er al altijd. Je zegt het trouwens zelf als je naar Iran verwijst. We zouden ook naar Aziatische, Afrikaanse of Slavische culturen kunnen wijzen. (Je zou overigens de Open Brief die Joseph Brodsky aan Vaclav Havel schreef eens moeten lezen. Die houdt me ook al enige decennia uit mijn slaap.) 
De slotsom zou moeten zijn, schrijfgezellin, dat er méér gelezen wordt, niet? Dat klinkt als een open deur intrappen. Waarom bevuil je de literaire katern van een Nederlandstalige krant met de aanleiding om anderen tot zulke clichés te inspireren? Overigens doet je laatste zin vermoeden dat je het eigenlijk zelf ook niet meer wist en bevriende dichters alsnog lippendienst wilde bewijzen. Gebruik je delete-toets, consoror, als je een dergelijke aanvechting hebt. En beter nog: delete all. En begin dan opnieuw, met een leeg scherm, en de eerste woorden zullen klinken als een gedicht. Liever een pril gedicht dan een foute column. 

Hartelijke groet & sans rancune,

Je collega Johan de Boose

8 reacties

Opgeslagen onder Nieuws

8 Reacties op “Open brief Johan de Boose over mijn poëziecolumn

  1. Pingback: Versindaba » Blog Archive » Louis Esterhuizen. Vlaamse kabaal oor bundelverkope

  2. Ik ben het niet met Ann de Craemer eens dat poezie niet van deze tijd is, simpelweg omdat ik meen te bespeuren dat zo goed als alle media niet meer van deze tijd zijn. Het gaat niet alleen om poëzie of proza, mensen lezen ook geen kranten meer, kopen nauwelijks nog muziek, en ook film is ondertussen een verouderd medium dat grotendeels mechanisch wordt ingevuld met standaardscripts. Het is dus een enorme faux pas om te denken dat dit eigen is aan het medium poezie: er is iets heel anders aan de hand. Nu heeft poezie nooit goed verkocht in de Benelux – en het zwakke punt in de Boose’s betoog is dat hij totaal niet lijkt in te zien dat de boekhandels bijna allemaal op failliet staan – er zijn al twee enorme Amerikaanse boekwinkelketens failliet. Op zo’n moment gaan dreigen dat ze poezie op de eerste rij moeten leggen – dat is clownesque! Die mensen kunnen het hoofd nauwelijks boven water houden! Ik denk dat het met de boekwinkels sowieso gedaan is – ik verkoop mijn bundel bewust niet via boekhandels en heb er al meer verkocht in 3 maanden dan ik in 3 jaar via een grote uitgever en die ‘boekhandel bereik’ verkocht. De intermediar is gewoon niet meer van deze tijd. Wie poezie populairder wil maken doet er goed aan juist de creatieve kant te benadrukken, niet om met zware stem eisen te stellen aan stervende zwanen. Dat getuigt van een realiteitsbesef dat in een circus thuishoort.

  3. En daarmee weten we weer waar het op staat: de literaire bijlagen van kranten zijn voor het plebs. Val dat klootjesvolk toch niet lastig met de angsten van de elite, beste Ann, dat verzwakt “onze” positie maar.

    Welkom bij “Vijandbeelden”, les 1.

  4. Het is niet zozeer de reactie van Johan de Boose die erg is (we leven inderdaad in een democratie, al zou je dat na zijn aansporing tot zelfcensuur even kúnnen betwijfelen), maar wel de teneur ervan.

    De poëziewereld is er een van kleine discussies in een klein-gehouden veld. Die discussies verlopen altijd volgens een vast stramien. De manier waarop De Boose over Van Bastelaere, de Peter North van het metrum, spreekt is daar een goed voorbeeld van.

    De gelederen moeten namelijk altijd gesloten blijven.

    Fascinerend vind ik deze zin: “Overigens doet je laatste zin vermoeden dat je het eigenlijk zelf ook niet meer wist en bevriende dichters alsnog lippendienst wilde bewijzen.” Wat een wereld van suggesties gaat hier open…

    Ondertussen heb ik fijn-veel materiaal voor mijn volgende kroniek in De Brakke Hond, waarvoor beiden dank!

  5. Applaus en buiging voor Johan de Boose.

    Hij mengt zich niet vaak in het mediatieke gekakel,
    maar nu hij dan spreekt is het om iets te zeggen.

    Wat een stem, wat een pen!

    Donder en bliksem.

  6. Wat hebben we vandaag geleerd, vraag ik met de Piet Huysentruyts van deze wereld. Amaikes, zeg ik met de Jeroen Meusen. Tot zo-ven heb ik niet geweten dat er “foute columns” bestaan!

    De poëzie (bij uitbreiding de literatuur) is dood! Leve de discussie over de poëzie – aangestoken door de columnist! Zalig, citeer ik Jeroen Meus. Mocht het?

  7. Pingback: Johan De Boose reageert… « JJ Pollet