Column ‘De Morgen’: Ergens, een ochtend

Ik zou kunnen zeggen dat de herfstzon zacht scheen en ik net op mijn terugweg was van de bakker toen ik haar zag. Het contrast met de laatste warmte van de zomer die nooit kwam en de verse broodzak onder mijn arm zou het verhaal nog rauwer maken, maar soms moet je de realiteit haar naakte zelf laten zijn.

Dus, het was zomaar, dat ik er langsliep, want wandelen wordt pas echt een kunst als je het doelloos doet. Ze lag op haar buik op een bank in het park. Haar lichaam rustte op de uitgesleten houten planken, maar voor haar hoofd had ze geen plaats meer gevonden. Haar blonde haren gingen als een gordijn naar beneden en raakten net niet de kiezelstenen op de grond.

Ik zette een stap dichterbij, mijn hart plots bonkend in mijn keel: wat – als – ze – ? Maar ze – was – niet -, ze kreunde toen ik haar schouder aanraakte en vroeg of alles in orde was. Ze ging rechtop zitten, of probeerde dat toch. Eerst rook ik de wiet. Daarna de cognac. Toen keek ik in haar ogen – gebroken spiegels in een rillend lijfje van misschien net zestien.

Omdat ze haar handen tegen haar buik gedrukt hield en haar ogen steeds opnieuw dichtkneep voor een fel licht dat waarschijnlijk alleen in haar hoofd scheen, vroeg ik voorzichtig of ik kon helpen. Ze schudde heftig van nee en gniffelde dat alles okay was. Ze stond op en wankelde naar de lantaarnpaal bij de vijver en terug, steeds opnieuw. ‘Het is koud’, lachte ze. En haar lachen werd schaterlachen. ‘Ik ben linkshandig dus die paal kan het ook niet al te warm hebben’, gierde ze. En haar rillen werd hevig trillen. Dat, en haar woordenchaos, deden me doen wat ik nochtans niet wilde: de ambulance bellen, want ik wist dat dan ook de blauwe jongens zouden komen en het verhaal van haar zondagmorgen niet alleen op deze pagina een vervolg zou kennen.

Het was eerst de politieauto die het park binnenreed. Opnieuw stond ze recht. Gooide de armen in de lucht. Rende naar de man die hoofdschuddend uit de combi stapte. Gilde: ‘Mijnheer, mijnheer, ik moet mij verstoppen voor de politie, ze zijn naar mij op zoek en ik weet niet waarom, kunt gij mij helpen, alsjeblieft, mijnheer?’

Onder mijn arm geen broodzak waaruit de warme pistolets episch op de grond konden vallen. De agent zei iets in zijn walkietalkie. Ik wreef de slaap een tweede keer uit mijn ogen en dacht aan ergens een vader, ergens een moeder, naast een telefoon op zomaar een zondagmorgen.

Deze column verscheen in ‘Uitgelezen’ in De Morgen van 14 september 2011.

Reacties staat uit voor Column ‘De Morgen’: Ergens, een ochtend

Opgeslagen onder Columns

Reacties zijn gesloten.