De doodsteek van Ali en Mahmoud

Dit stuk is ook verschenen in De Standaard van vandaag

Vroeger werd ik alleen maar kwaad toen ik hem zag. Sinds ik een maand in Iran was en daar merkte welke schade hij heeft aangericht, word ik misselijk als ik hem hoor spreken.

Ik heb het over de Iraanse ‘president’ Mahmoud Ahmadinejad. Die is aan zijn tweede ambtstermijn begonnen en sprak de voorbije week alweer dreigende taal tegen het Westen: hij verwierp de opgelegde deadline voor het opstarten van onderhandelingen over het nucleaire programma. Ik hoorde het krassende geluid van een doordraaiende grammofoonplaat en kreeg hoofdpijn. Nog dezelfde dag was er ander nieuws uit Iran: twee van de drie presidentskandidaten die het Iraanse parlement heeft afgewezen zijn vrouwen. Mijn tien vingers balden zich twee vuisten en ik kroop in mijn pen.

Wie Iran van op afstand volgt, haalt misschien de schouders op en denkt: ‘Ach, Iran is gewoon een plaat die doordraait. Corrupte leiders, flagrante fraude, het volk dat even mort en een paar maanden later is alles weer hetzelfde.’

Niets is echter minder waar. Sinds de presidentsverkiezingen van 12 juni is er véél veranderd in Iran. Ayatollah Ali Khamenei, de Opperste Leider, en Mahmoud Ahmahdinejad, de ‘president’, hebben beiden een metamorfose ondergaan. Khamenei is publieke aartsvijand nummer één geworden en Ahmadinejad een zwakke president. In het staatssysteem van de Islamitische Republiek heeft een president veel medezeggenschap als hij op één lijn staat met de Opperste Leider. Dat was het geval tijdens, voor, en net na de presidentsverkiezingen: Khamenei noemde de herverkiezing van Ahmadinejad ‘goddelijk’ en stelde dat diens overwinning een bewijs was van het vertrouwen van het volk in de Islamitische Republiek.

Vandaag zingen Khamenei en Ahmadinejad vaker níet dan wel hetzelfde liedje. Vorige week ontkende Khamenei dat de betogingen tegen de herverkiezing van Ahmadinejad waren opgezet door het buitenland. “Ik beschuldig de leiders van de recente incidenten er niet van ondergeschikt te zijn aan het buitenland, zoals de VS en Groot-Brittannië, omdat dit niet is bewezen.” Eerder beweerde Khamenei nog bij hoog en bij laag dat álle onrust in Iran de schuld van het Westen was. Ahmadinejad diende zijn grote baas een paar dagen later van antwoord en weet de aanvallen op demonstranten en de misbruiken in de gevangenis aan ‘buitenlandse samenzweringen’.

Door zich tot voor kort zo uitdrukkelijk aan de zijde van Ahmadinejad te scharen heeft Khamenei eigenhandig een fundament van de Islamitische Republiek onderuit gehaald: de Opperste Leider hoort onpartijdig te zijn en boven het partijpolitieke gewoel uit te torenen. Voor het eerst in het dertigjarige bestaan van de Islamitische Republiek is die regel zwaar geschonden. In een poging om zijn verbrande vingers te blussen distantieert Khamenei zich nu van Ahmadinejad, maar daarvoor is het te laat. Het Iraanse regime is tot in zijn diepste vezels verdeeld. Dat Khamenei met zijn ontkenning van buitenlandse complotten een dooi in die interne strijd wil inzetten is onzin: volgende week zingt hij gewoon weer een ander liedje, zoals katten in het nauw dat wel vaker doen. Khamenei en Ahmadinejad hebben hun geliefde Revolutie en Republiek zelf de doodsteek gegeven, en het volk doet langzaam maar zeker de rest, de woorden van hun schrijver Hoshang Golshiri indachtig: “We willen het land niet verlaten. Deze keer is het aan hen om het land te verlaten. We zullen hen doden met onze pen. We zullen hen doden met onze aanwezigheid.”

Afgelopen woensdag zei Mohammad Ali Jafari, de leider van de machtige Revolutionaire Garde, dat “de vijanden van Iran, inclusief de Verenigde Staten, de Islamitische Republiek nooit kunnen omverwerpen.” Ik zal u geruststellen, beste Mohammad: dat hoeven ze helemaal niet te doen, want daar zorgen u en uw medestanders gewoon zélf voor.

Het tij is gekeerd en de put is gegraven. Als straks uw tijd gekomen is, beste Seyyed Ali Hosseini Khamenei, zal ik niet verlangen dat men u in een rechtszaal in een blauwgrijze pyjama hijst, zoals u de voorbije weken zelf met veel oppositieleiders hebt gedaan. Uw gedrag imiteren is immers het laatste wat ik wens. Ik zal datgene gebruiken waar u zo’n hekel aan heeft: de kracht van het vrije woord. Ik zal voor u aan tafel komen zitten, u recht in de ogen kijken en de speech voorlezen die uw voorganger ayatollah Khomeini ooit aan de shah richtte: “Ze hebben het Iraanse volk herleid tot een niveau dat lager is dan dat van een Amerikaanse hond. Als iemand een hond omver rijdt die van een Amerikaan is, zal hij vervolgd worden. Maar wanneer een Amerikaanse kok de shah omver rijdt, heeft niemand het recht om zich met hem te bemoeien.”
De geschiedenis, beste Seyyed Ali Hosseini Khamenei, herhaalt zich altijd. U hebt het Iraanse volk herleid tot een niveau dat lager is dan dat van een rat, en de ‘fluwelen revolutie’ die zich onder uw ogen afspeelt, is uw eigen werk. Mochten mijn woorden dan nóg geen krimp op uw gezicht doen verschijnen, dan zal ik me wenden tot de Perzische poëzie, die door al uw landgenoten begrepen wordt, dus ongetwijfeld ook door u: “Als onderdanen een tiran ontvluchten,/ raakt overal zijn slechte naam bekend./Je ondergraaft je eigen fundament/als je het legt door kwaad te doen.” (Saadi)

Reageren uitgeschakeld

Opgeslagen onder Iran

Reacties zijn gesloten.